HomeRubriekenGastblogsBericht
voetnoot
Contributietarieven(on)logica
Wim Keizer
09-08-2016
Nederlandse openbare bibliotheken zijn meestal gratis en anoniem toegankelijk voor raadpleeg- en adviesfuncties, maar heffen al jarenlang contributies voor met name de uitleenfunctie. De gevraagde bedragen hebben niets te maken met de prijs die de bibliotheek voor de aanschaf van de boeken moet betalen en de vraag of boeken rechtenvrij of niet-rechtenvrij zijn (d.w.z. de ouderdom ervan). Wel is er bij bibliotheken die het zogenaamde RST-principe (reductie, standaard, top) toepassen een relatie met uitleenvoorwaarden. 
Contributietarieven(on)logica
Voor de ‘landelijke digitale bibliotheek’ (www.bibliotheek.nl) gelden andere principes: lenen van rechtenvrije e-books is gratis, maar voor niet-rechtenvrije e-books geldt in 2016 een bedrag van 42 euro voor mensen die alleen maar e-books willen lenen ('digital only’). En raadpleging van andere e-content mag in veel gevallen niet thuis. De reden is dat de betrokken uitgevers eisen stellen in verband met de bescherming van hun markt en de Koninklijke Bibliotheek (KB) met die eisen akkoord moet gaan als ze graag wil dat de gewenste e-content en e-books beschikbaar komen.
Leden van de fysieke bibliotheken betalen naast hun reguliere contributie in 2016 geen extra bedrag voor de e-books van www.bibliotheek.nl. De bedoeling van de KB en uitgevers is (of was?) dat voor 2017 die 42 euro voor ‘digital only’ gehandhaafd wordt, maar dat er ook iets nieuws bij komt: het minimumtarief voor een regulier fysiek lidmaatschap dat tegelijk ook recht geeft op lenen van e-books van www.bibliotheek.nl moet, volgens de berichten tot nu toe, 42 euro gaan bedragen. Ook is (of was?) er sprake van een oplopend bedrag voor jongeren.

Vier principes
De Vereniging van Openbare Bibliotheken (VOB) en VOB-leden lopen te hoop tegen deze KB-/uitgeversplannen, maar alvorens daar nader op in te gaan, stel ik de vraag wat eigenlijk de logica achter de huidige contributietarieven is. Ik kan vier principes bedenken die me enigszins logisch lijken en ik ga ze hier maar eens onderscheiden, omdat ik de indruk heb dat ze in de gevoerde discussies dwars door elkaar heen lopen.
Het eerste is dat niet alleen het raadplegen van boeken in de bibliotheek, maar ook het lenen ervan gratis zou moeten zijn, zoals in Angelsaksische en Scandinavische landen. Helder argument is dat voor openbaar bibliotheekwerk als publieke voorziening al betaald is via de belastingen.
Het tweede is dat de bibliotheek het maximumaantal leners (ofwel: leden) wil bereiken. Het lijkt mij waarschijnlijk dat dit tweede principe samenvalt met het eerste, maar er is ook nog een redenering dat mensen iets wat gratis is niet belangrijk vinden en dus links zouden laten liggen. Het kan zijn dat dit waar is en dat een klein contributiebedrag het aantal leners doet stijgen, maar ik ga er toch van uit dat contributieheffingen al snel tot minder leden leiden.
Het derde principe gaat uit van een meer commerciële benadering: de bibliotheek streeft niet naar het maximumaantal leden, maar naar maximale eigen inkomsten. Daarbij geldt het principe dat zolang c (= de opbrengst) als uitkomst van a (= aantal leden) maal b (= contributietarief) bij regelmatige verhoging van b blijft stijgen er sprake is van succes, ook al zou a dan dalen. Pas als b zo hoog wordt en daardoor a zo laag dat ook c gaat dalen, is er duidelijk een te hoog bedrag voor b gekozen. Wanneer dat precies het geval is, hangt natuurlijk ook af van andere marketingfactoren dan alleen de prijs. En wie dit principe wil toepassen, moet wel met de gemeente regelen dat hogere inkomsten uit uitleningen niet leiden tot lagere subsidies voor taken die de gemeente (ook) belangrijk vindt.
Een vierde principe, in het geval niet van principe 1 - helemaal geen contributie - wordt uitgegaan, is dat het mij logisch lijkt dat naarmate een bibliotheek(voorziening) meer te bieden heeft, er een hogere contributie wordt gevraagd.

42 euro ‘digital only’ raar bedrag
Om eerst nog een keer op dat laatste principe in te gaan: ik schreef in februari dat ik 42 euro voor ‘digital only’ een raar bedrag vind, daar het ongeveer hetzelfde is als het gemiddelde contributiebedrag voor fysiek lenen (met het recht ook digitaal te lenen). De ene lener mag dus voor ongeveer 42 euro fysiek + digitaal lenen en heeft ook nog andere diensten erbij, de andere (‘digital only’) mag voor 42 euro alleen maar e-books lenen, terwijl dat e-books-aanbod vergeleken met het fysieke aanbod zeer beperkt is. Gezien deze verschillen zou het veel logischer zijn als de ‘digital-only-contributie’ minder dan de helft van de ‘fysieke contributie’ zou bedragen. Als fysiek lenen (met ook recht op e-books) ongeveer 42 euro kost, zou alleen-digitaal lenen hooguit 21 euro moeten kosten en als alleen-digitaal lenen dan toch per se 42 euro moet kosten, zou voor de combinatie fysiek/digitaal lenen minstens 84 euro mogen worden gevraagd. Ik vond een door Bibliotheek.nl met uitgevers overeengekomen e-bookpluspakket (20 euro), met ook differentiatie naar ouderdom van de e-books, logischer - mits niet beperkt tot 18 uitleningen - dan die 42 euro per jaar die de KB voor 2016 met uitgevers is overeengekomen.

Ongewenst en onjuist
Naar aanleiding van de KB-plannen liet de VOB weten: ‘Wij zouden het ongewenst en onjuist vinden als in een decentraal stelsel de KB centraal een minimumtarief voor het gecombineerde (fysiek/digitaal) lidmaatschap zou vaststellen. Het bieden van ruimte tot het leveren van maatwerk aan bv. speciale groepen (denk aan minima, scholieren, studenten en kwetsbare groepen) is essentieel. Onze leden vinden dit o.a. zo belangrijk omdat dit door de gemeenten (als subsidiënt van de openbare bibliotheken) van groot belang wordt geacht.’ En contributie vragen aan jongeren vindt de VOB helemaal uit den boze. Zij schreef: ‘Een tariefstelsel moet zich optimaal verhouden tot artikel 13 van de Wsob (Contributievrijstelling jeugd lokale bibliotheken). Daarbij vinden onze leden in grote meerderheid dat het belangrijk is dat jongeren geen financiële belemmeringen ondervinden als ze voor school of studie genoodzaakt zijn om boeken (fysiek dan wel digitaal) te raadplegen. Wij wijzen er daarbij op dat ook de minister deze mening is toegedaan, getuige haar toezegging dat het lidmaatschap van de bibliotheek zonder extra kosten toegang geeft tot het digitale basispakket, een toezegging die schriftelijk zowel aan de Kamer als aan de wethouders van de G9 is gedaan. Wat ons betreft zouden jeugdlidmaatschappen per definitie combinatielidmaatschappen moeten zijn waarbij de wettelijke contributievrijstelling tot 18 jaar volledig gegarandeerd blijft.’

Vergeten zaken
Duidelijk is dat de VOB hier erg tegen het eerste of wellicht tweede principe aanhangt. Maar in het hanteren daarvan sluipen dan wel wat vergeten zaken. Zo zegt artikel 13 van de Wsob in het eerste lid inderdaad dat er geen contributie van jongeren wordt geheven, maar staat er meteen een ‘tenzij’ bij: tenzij het college van B&W heeft besloten dat er wel een geldelijke bijdrage wordt geheven. Die mag dan niet hoger zijn dan de helft van de contributie voor volwassenen. Ik ken bibliotheken die het niet echt vervelend vinden contributie van jongeren te moeten heffen, gezien de bijdrage aan de eigen inkomsten.
Artikel 14 over de contributie voor de landelijke bibliotheek maakt zelf geen uitzondering voor jongeren. Een uitzondering op artikel 14 staat al wel in artikel 13 tweede lid: ‘Door de KB aangewezen digitale werken’ moeten gratis worden aangeboden aan personen beneden de leeftijd van 18 jaar. Maar het is natuurlijk duidelijk dat de KB alleen maar die werken kan aanwijzen waarvan de uitgevers akkoord gaan met gratis aanbieden aan jongeren.

Verhoudingen met markt
In haar brief van 7 juli 2015 (pdf) aan de wethouders van de G9 heeft Bussemaker inderdaad gezegd (pagina 2, eerste bullet): ‘Het lidmaatschap van de lokale, fysieke bibliotheek bevat tevens – dus zonder meerkosten voor de gebruiker – de toegang tot het digitale basispakket.’ Dit was niet specifiek voor jongeren bedoeld en ze laat er onmiddellijk op volgen: ‘Als het aanbod wordt uitgebreid met een substantieel aantal actuele titels, kan een pluspakket worden ingevoerd waarvoor de gebruiker extra moet betalen. Dat kan nodig zijn vanwege de verhoudingen ten opzichte van het aanbod in de markt. De opbrengsten van het pluspakket gaan naar de lokale bibliotheken.’ En vervolgens: ‘Personen die alleen van het digitale aanbod gebruik willen maken (‘digital only’) worden geregistreerd bij de KB en kunnen dit via de lokale bibliotheek regelen of bij de KB. De inkomsten vanuit ‘digital only’ gebruik worden ingezet voor de inkoop van e-content.’ (Inmiddels geldt dit laatste alleen voor ‘digital only’ via de KB. Het CBS liet in een persbericht over de cijfers van 2015 weten dat er ruim 234.000 e-bookaccounts via de bibliotheek zijn aangemaakt. De KB vulde aan (zie rapport, pdf, pagina 5) dat er in totaal bijna 240.000 e-bookaccounts waren, waaruit ik concludeer dat er zich blijkbaar een kleine 6000 ‘digital-only’-leden rechtstreeks bij de KB hebben aangemeld).

De minister legt een directe relatie met de markt. Dat kan moeilijk anders, zo lang de uitzondering in de Auteurswet m.b.t. uitlenen van boeken niet geldt voor e-books. En als e-books wel onder leenrecht kunnen gaan vallen, zal een belangrijk onderhandelingspunt tussen VOB en de Stichting Leenrecht worden wat ‘een billijke vergoeding’ is.
Overigens geldt de proefprocedure alleen voor downloaden (dus niet voor streamen) en voor het ‘one-copy-one-user’-model (zie vonnis Haagse rechtbank, pdf, onder punt 6.1.6. op pagina 8), terwijl nu een ‘multi-copy-one user’-model is afgesproken (maximaal 10 e-books tegelijk voor 3 weken).

Meer gebruikersinkomsten verstandig
Wie ook duidelijk een relatie met de markt legt en dichter tegen principe 3 dan 1 of 2 aanzit, is het door de VOB voor de Nationale Bibliotheekpas (NBP) ingehuurde bedrijf Paul Postma Marketing Consultancy (PPMC). In een interview dat ik met hem had zei Postma onder andere dat bibliotheken er verstandig aan doen meer gebruikersinkomsten binnen te halen en minder afhankelijk te worden van subsidie. ‘Vergelijk het met Spotify of Netflix, ook kinderen geven daar veel geld aan uit. Dus waarom zou het allemaal gratis moeten zijn. Er is gewoon een markt voor bibliotheken, wees niet verbaasd dat mensen er geld voor willen uitgeven. Ik ken meer instellingen met subsidie die heel creatief bezig zijn ook andere inkomsten binnen te halen. Pas er voor op geen subsidieslaaf te worden, zorg dat je met dit mooie concept ook eigen inkomsten creëert, laat het groeien!’ Erna Winters (Bibliotheek Kennemerwaard) gaf een reactie die me meer aan principe 1 of 2 deed denken: ‘Wat jammer dat Paul Postma ons er van verdenkt "subsidieslaven" te zijn. Is dit een voorbeeld van neoliberaal denken? Ik word er wat moedeloos van. Je kunt het een definitiediscussie noemen, ja, we “krijgen” als bibliotheken subsidie van onze gemeenten. We leveren voor die subsidie een veelvoud van het subsidiebedrag aan maatschappelijke waarde terug aan onze gemeenten. Waarden die samenhangen met onze democratie. Spotify en Netflix zijn geen diensten die ik in gedachten heb als ik aan democratische waarden denk als vrijheid van toegang tot informatie, de mogelijkheid om de informatie tot je te kunnen nemen om je een oordeel te kunnen vormen over onderwerpen die spelen in onze samenleving.’
In zijn Businesscase voor de NBP (pdf) zegt PPMC op pagina 22 dat een ‘kidspas’ (voor ‘een beperkt bedrag aan abonnementsgeld’) als upgrade van een gratis basispas de bibliotheek bij uitstek voor kinderen aantrekkelijk kan maken.
Op pagina 23 zegt PPMC: ‘Overigens verwacht de KB terecht van bibliotheken dat de prijs van een bibliotheekabonnement voor leden die e-books lenen minimaal gelijk is aan het tarief dat de KB berekent voor een digital only abonnement.’ Kennelijk denkt PPMC hier heel anders over dan VOB en VOB-leden!
En op pagina 25 signaleert PPMC dat een NBP met een combinatie van een digitaal en fysiek lidmaatschap een unieke propositie heeft om de concurrentie met nieuwe toetreders als Bliyoo, Bookmate en Mofibo aan te gaan. Als deze partijen met uitgevers gaan onderhandelen over een courante top-50, is het volgens PPMC voor de bibliotheken van belang om te bepalen of ze bijvoorbeeld door aanbieden van een ‘plusabonnement’ willen concurreren met zo’n aanbod.
Kortom, bij het door de VOB ingeschakelde PPMC meer principe 3 dan 1 of 2.

Rare bibliotheek
Van welk principe de openbare bibliotheken ook willen uitgaan: dat de landelijke digitale bibliotheek, zo lang e-books niet onder het leenrecht vallen, een rare, van uitgevers afhankelijke bibliotheek is, staat buiten kijf. ‘Wetten’ die hier gelden, zoals onderscheid tussen rechtenvrij (gratis) en niet-rechtenvrij (door uitgevers gestelde eisen) gelden niet voor de fysieke bibliotheek. Maar dat is de KB niet aan te rekenen. Wel is het voor vrijwel iedereen een ‘black box’ hoe die onderhandelingen tussen KB en uitgevers verlopen en wie daar welke rol in speelt. Volgens een brief (pdf) die de VOB in februari naar minister Bussemaker stuurde waren er eind 2015 in Nederland 42.456 e-booktitels beschikbaar, maar bevatte het e-bookplatform er maar 10.611, ofwel slechts 25%. Uitgevers weten precies hoeveel publiek geld er voor de aankoop van e-books beschikbaar is, maar ondanks deze mooie positie stellen ze toch eisen aan de contributieheffing en komt 75% van de titels niet beschikbaar. Nu is dat hun goed recht als eigenaren van de e-books, met mede door illegaal downloaden ingegeven angst voor marktverstoring. Maar niet duidelijk is mij of een e-bookpluspakket niet kon worden gehandhaafd of verbeterd, of initiatieven inzake de 42 euro van de KB kwamen of van de uitgevers en om welke uitgevers het dan gaat. Ook niet duidelijk is door welke uitgevers die 31.845 titels uitgegeven zijn die niet geleverd worden. Ook is niet bekend hoe hard de KB het spel speelt. Worden er van bepaalde uitgevers wel eens in KB-ogen te gekke eisen afgewezen, wat er dan toe leidt dat er van dergelijke uitgevers geen e-books beschikbaar komen? En zijn er veel uitgevers die hoe dan ook niet willen meedoen?
Wat betaalt de KB eigenlijk aan uitgevers? Bibliotheek.nl maakte in april 2014 bekend dat aangeboden is voor de headcategorie (d.w.z. jonger dan een jaar) twee soorten vergoedingen te gaan betalen: € 0,60 per stream/download voor de CPNB-top-60 en € 0,48 voor de overige e-books jonger dan een jaar. Voor de shoulderboeken (tussen 1 en 3 jaar oud) werd € 0,36 per stream/download genoemd. Voor boeken ouder dan drie jaar (long tail) zou het eerste jaar van aanbieding € 0,24 per stream of download worden betaald en elk volgend jaar € 0,12. Dat laatste bedrag stond in 2014 gelijk aan de leenrechtvergoeding voor papieren boeken. Maar gelden die bedragen nog?

Nieuw voorstel
Ik heb begrepen dat er voor 2017 een nieuw voorstel voor de contributietarieven van KB en een Werkgroep Lokaal Digitaal bij de VOB ligt. Die kan daar tot uiterlijk 12 augustus op reageren.
In ‘De maand die was’ in de WWW van augustus schreef ik reeds: ‘Lastig voor de VOB, want als zij het er niet (helemaal) mee eens is moet zij niet alleen de KB, maar ook de werkgroep afvallen.’
Maar nog lastiger is het om onder invloed van marktdenken en digitalisering, bij het bestaan van fysieke bibliotheken en een rare landelijke digitale bibliotheek, een ondubbelzinnig principe voor geen of wel, lage of hoge contributieheffing na te streven, waar vrijwel alle openbare bibliotheken en ook subsidiërende gemeenten zich in kunnen vinden.
 
Wim Keizer


Print deze pagina

Reacties op dit artikel (0)

Er zijn nog geen reacties.

Schrijf een reactie

Naam
E-mailadres (?)
Reactie
 

Gerelateerde informatie