HomeRubriekenArtikel
voetnoot

Veertig jaar aanpak laaggeletterdheid: ambitie, onvermogen en lange adem

Thomas Bersee
13-06-2019
Veertig jaar aanpak laaggeletterdheid: ambitie, onvermogen en lange adem
Een structurele aanpak van laaggeletterdheid, dat is wat de voor dit dossier verantwoordelijke bewindspersonen al vier decennia roepen. Het resultaat is schokkend, want het aantal functionele analfabeten is alleen maar gegroeid. De Rekenkamer heeft de teller op 2,5 miljoen laaggeletterden gezet, dat is achttien procent van de volwassen Nederlandse bevolking! Een analyse van veertig jaar falend beleid. 
Nederland telt thans, anno 2019, ongeveer 2,5 miljoen laaggeletterden van zestien jaar en ouder. ‘Laaggeletterdheid’ houdt in dat iemand (grote) moeite heeft met de vaardigheid van lezen, schrijven of rekenen, en wel zodanig, dat dit zijn of haar dagelijks functioneren belemmert. Dat kan thuis zijn, op school of op het werk, als ouder, consument of zorgvrager, of als burger in de (digitale) communicatie met de overheid en allerhande andere instanties. Vandaar dat laaggeletterdheid ook wel ‘functioneel analfabetisme’ wordt genoemd. Sinds veertig jaar wordt laaggeletterdheid door de overheid onderkend als een maatschappelijk probleem, dat des te urgenter werd toen het zich vervlocht met de beperkte taalvaardigheid van migranten die moesten inburgeren. Sinds vier decennia wordt er dan ook op diverse bestuurlijke en ambtelijke niveaus beleid ontwikkeld, gefinancierd en geïmplementeerd. Helaas met beperkt succes, want de omvang van de problematiek is in de loop der jaren alleen maar groter geworden.   

Letters

Basiseducatie

Het begon allemaal in 1977 met een alarmerend onderzoeksrapport van de Universiteit van Nijmegen waarin het aantal functioneel analfabete volwassenen in Nederland werd geschat op tussen de 100.000 en 400.000. Het zou gaan om mensen die ‘de eerste basis missen om in onze “geletterde” samenleving te functioneren en die te vaak vergeten worden, omdat nogal eens verondersteld wordt dat zij niet meer voorkomen in een maatschappij die sinds driekwart eeuw verplicht onderwijs kent.’
Het rapport viel in vruchtbare aarde, want juist in die jaren was er in Nederland een grote bloei van educatieve activiteiten voor laagopgeleide volwassenen. Het ging om deels succesvolle activiteiten als de Moedermavo, VOS-cursussen (Vrouwen Oriënteren zich op de Samenleving), PIZ- groepen (Pensioen in Zicht), Projekten Permanente Edukatie, het vormingswerk en taallessen voor gastarbeiders. Het was de tijd van het kabinet-Den Uyl, dat als motto had de spreiding van kennis, macht en inkomen. Minister van Onderwijs Jos van Kemenade beloofde ronduit: ‘Iedereen moet zijn leven lang kunnen blijven leren en zich door training, studie, discussie en bezinning kunnen heroriënteren. Hiervoor zijn educatieve voorzieningen nodig die voor iedereen toegankelijk zijn. (…) Om te garanderen dat deze voorzieningen op een systematische wijze worden aangeboden, komt er een Open School.’

De Open School is er nooit gekomen, maar in 1987 kwam de ‘basiseducatie’ er wel. Deze vorm van volwassenenonderwijs was bedoeld om mensen alsnog de kans te geven ‘die kennis en vaardigheden te verwerven die strikt noodzakelijk zijn om zich in het dagelijks leven te redden.’ Kernvaardigheden van de basiseducatie waren taal, rekenen en computerkunde. Het onderwijs zou gegeven worden op ‘instellingen voor basiseducatie’ die rechtstreeks uit het budget van het ministerie van O&W een subsidie ontvingen naar rato van het aantal deelnemers en het aantal uitgevoerde lesuren. In 1992 werden ruim tweehonderd van dergelijke instellingen geteld met 3500 betaalde krachten en 2500 vrijwilligers. Er waren ruim 140.000 deelnemers, van wie iets meer dan de helft van allochtone komaf was. Toch bleek het aanbod niet voldoende. Er waren onmiddellijk wachtlijsten en nieuw onderzoek wees uit dat het aantal laaggeletterden in Nederland inmiddels was opgelopen tot ongeveer een miljoen. Het betrof nog steeds dezelfde groep: mensen die ‘niet over de hele linie bestempeld kunnen worden als analfabeet, maar waarvan velen grote problemen ondervinden met het begrijpen en omgaan met teksten en rekentaken uit het leven van alledag.’

Speerpunt
De basiseducatie was het werk van minister van Onderwijs Wim Deetman (CDA), die in 1989 werd opgevolgd door Jo Ritzen (PvdA). Hij was vastbesloten Van Kemenades belofte van de Open School alsnog in te lossen, maar dan beter en groter. Het jaar 1990 was het UNESCO-wereldjaar van de alfabetisering en bij de officiële start in de Ridderzaal zei Ritzen dat hij hoopte dat in het jaar 2000 het analfabetisme in Nederland zou zijn uitgebannen en dat daarom de volwasseneneducatie speerpunt was van kabinetsbeleid.
Ritzen liet er geen gras over groeien. Geïnspireerd door het Amerikaanse voorbeeld van de community colleges als instellingen voor ‘een leven lang leren’, liet hij de basiseducatie, de deeltijd vo-opleidingen (mavo, havo en vwo) en het middelbaar beroepsonderwijs fuseren tot ongeveer 45 Regionale Opleidingscentra (ROC’s). Basiseducatie heette voortaan ‘volwasseneneducatie’ en was gericht op ‘de bevordering van de persoonlijke ontplooiing ten dienste van het maatschappelijk functioneren van volwassenen door de ontwikkeling van kennis, inzicht, vaardigheden en houdingen op een wijze die aansluit bij hun behoeften, mogelijkheden en ervaringen alsmede bij maatschappelijke behoeften.’ 
 
De volwasseneneducatie werd helaas niet wat Ritzen zich ervan had voorgesteld. De bekostigingssystematiek en het educatieve alleenrecht van het ROC waren daaraan debet. De financiering van het beroepsonderwijs gebeurde rechtstreeks door het rijk, maar voor de volwasseneneducatie ontvingen gemeenten een geoormerkt educatiebudget dat gebaseerd was op inwoneraantallen, bevolkingssamenstelling en opleidingsniveau. Bestuurlijke decentralisatie en meer ‘vraagsturing’ waren de reden om de gemeenten zelf volwasseneneducatie te laten inkopen, maar dat liep onontkoombaar uit op een debacle.
Kernprobleem was de gedwongen winkelnering, want gemeenten mochten alleen zaken doen met de lokale ROC’s. Dat was niet bepaald een recept voor kostenbeheersing. De vrijwilligers en de betaalde educatieve werkers in schaal 7 of 8 van de basiseducatie maakten in rap tempo plaats voor professionele docenten in schaal 11 of hoger. Ooit waren de instellingen voor basiseducatie kleine platte organisaties geweest met betrokken medewerkers, maar nu werden ze onderdeel van onderwijsmolochs met uitdijende managementlagen vol duur betaalde procesbegeleiders en verandercoaches. De aandacht ging vooral uit naar internationalisering, vastgoed, megalomane nieuwbouw en modieuze onderwijsinnovaties in het beroepsonderwijs zoals het competentiegericht leren, waardoor de volwasseneneducatie steeds meer op het tweede plan kwam.

Marktwerking
In 1998 kwam er de Wet Inburgering Nieuwkomers (WIN). Die voorzag erin dat gemeenten aan inburgeraars een educatietraject van vijfhonderd uur moesten aanbieden bij het plaatselijke ROC. Gemeenten klaagden echter al snel steen en been over de ellenlange wachtlijsten, het lage onderwijsrendement en de ondoorzichtige kostenstructuur van de ROC’s. Om dit probleem op te lossen, werd nieuw beleid bedacht: meer marktwerking moest soelaas bieden. In 2003 werd de verantwoordelijkheid voor het inburgeringsonderwijs en het daarbij behorende educatiebudget van meer dan vijftig miljoen euro overgeheveld van het ministerie van OCW naar het ministerie van Justitie, waar eerst Hilbrand Nawijn (LPF) en daarna Rita Verdonk (VVD) minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie waren. Vanaf dat moment mochten gemeenten de inburgeringstrajecten ook gunnen aan particuliere onderwijsaanbieders. Maar ook dit had zijn keerzijde. De private taalscholen bleken vaak beter in het winnen van aanbestedingen dan in het leveren van goed onderwijs. Door de inzet van onderbetaalde flexdocenten waren ze dan wel een stuk goedkoper, maar vanwege het ontbreken van inspectietoezicht liet de kwaliteit vaak te wensen over.

In 2013 werd het de inburgeraars nog moeilijker gemaakt. Mede om de PVV als gedoogpartij tegemoet te komen, stopte het kabinet-Rutte I de overheidsbekostiging en verviel de gemeentelijke regierol. De inburgeraars werden als zelfredzame burgers de vrije markt opgestuurd om naar eigen inzicht hun inburgering in te kopen, waarbij ze konden inloggen op de (overigens ook voor Nederlanders) onbegrijpelijke Nederlandstalige website van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) voor een lening van maximaal 10.000 euro. Het liep regelrecht uit op een echec. Menig inburgeraar viel in handen van een frauduleuze taalaanbieder en werd opgezadeld met een torenhoge schuld. Vluchtelingenwerk trok aan de bel, waarna de Algemene Rekenkamer en de Nationale Ombudsman volgden. Minister Wouter Koolmees van SZW (D66) is inmiddels bezig met een nieuwe inburgeringswet die op 1 januari 2021 moet ingaan. Met instemming alom zal het kwaliteitstoezicht op de taalaanbieders worden verscherpt en krijgt de gemeente de regierol terug.

Nieuwe hoop
In het jaar 2000 publiceerde het onderwijsadviesbureau Cinop de Monitor educatie: een onderzoek naar educatiebeleid en -praktijk van gemeenten en ROC’s. Daarin werd geconcludeerd dat ‘het probleem van functioneel analfabetisme in de afgelopen tien jaar niet is afgenomen ondanks de inzet van de volwasseneneducatie’. In het educatieveld groeide het gevoel van malaise, maar de kersverse prinses Laurentien bracht nieuwe hoop. Tijdens haar eerste publieke optreden voor een zaal van opgewonden ROC-docenten kreeg zij luid applaus terwijl de toenmalige onderwijsminister Loek Hermans (VVD) getrakteerd werd op boegeroep toen hij stelde dat hij eigenlijk alleen maar aanwezig was vanwege de prinses. De Telegraaf kopte zelfs: ‘Hermans uitgejoeld om gedweep met Laurentien'. In de Volkskrant schreef Martin Bril naderhand: ‘Laurentien. Als ik haar naam hoor, moet ik altijd aan haar vader denken (…) Het is een goede zaak dat prinsessen wat om handen hebben. De hele dag je nagels vijlen, leidt maar tot verkeerde gedachten. Voorop gaan in de strijd tegen het analfabetisme is een uitermate bonafide bezigheid.’
 
Laurentien
In 2002 ging na het vertrek van Hermans de OCW-portefeuille voor de volwasseneneducatie over naar de nieuwe staatssecretaris Annette Nijs (VVD). Toen voor de zoveelste keer de resultaten van het alfabetiseringsbeleid tegenvielen, stelde ze manmoedig: ‘Er is nog een lange weg te gaan maar het is beter te blijven streven naar "een man op de maan" dan het hoofd in de schoot te leggen.’ Prinses Laurentien schoot te hulp. Met de steun van haar maatschappelijk geëngageerde vrienden uit de wereld van consultancy, communicatie en marketing, richtte zij de Stichting Lezen & Schrijven op. Nijs gaf twee ton startsubsidie. Tijdens de feestelijke lancering van haar stichting in Madurodam, sprak prinses Laurentien: ‘Wij gaan aan de slag om de aanpak van het probleem ongeletterdheid te verbreden en te verdiepen. Maar wij hebben wel haast: zelfs voordat de stichting officieel van start gaat, uit ik formeel de wens dat de Stichting Lezen & Schrijven ongeletterdheid als onderwerp zodanig heeft helpen verankeren in de samenleving, dat zij zichzelf in 2009 kan opheffen!’ 
 
Aanvalsplan
Toeval of niet, maar tegelijk met de oprichting van de Stichting L&S van prinses Laurentien verscheen vanuit de Nederlandse Taalunie het onderzoeksrapport Laaggeletterd in de Lage Landen: hoge prioriteit voor beleid (2004). Volgens deze Vlaams-Nederlandse ‘Beleidsorganisatie voor het Nederlands’ zou in Nederland maar liefst 37,4 procent van de volwassenen (en in Vlaanderen zelfs 41,9 procent) niet beschikken over het taalniveau dat nodig is om volwaardig te functioneren in de huidige kenniseconomie.

Nu de rijksoverheid de kritiek van Koninklijke en Groot-Nederlandse zijde voelde aanzwellen, lanceerde de opvolger van Nijs, de nieuwe staatssecretaris Mark Rutte (VVD) in 2005 alweer nieuw beleid, en wel het landelijke ‘Aanvalsplan Laaggeletterdheid 2006-2010’ (pdf). Ruttes offensief beoogde een ‘integrale totaalaanpak’ met zes ‘sectoroverstijgende elkaar versterkende actielijnen’ die gericht waren op ‘zowel preventie als curatie’. Hij stelde daarbij jaarlijks vier miljoen euro extra beschikbaar, te verdelen over Cinop en de Stichting L&S. PvdA-Kamerlid Mariëtte Hamer, voormalig directeur van een instelling voor basiseducatie, uitte in de Kamerbehandeling nog wel twijfels of het allemaal ging werken, maar wenste niettemin Rutte succes met de uitvoering.

Na Rutte werd met zijn opvolger Marja van Bijsterveldt (CDA) als bewindspersoon op het ministerie van Onderwijs (van 2007 tot 2010 als staatssecretaris en van 2010 tot 2012 als minister) het beleid nog ambitieuzer. Zo sloot het ministerie van OCW meteen in 2007 samen met de ministeries van SZW en van Jeugd en Gezin een convenant (pdf) met de Stichting van de Arbeid voor een ‘structurele aanpak van laaggeletterdheid’. In het jaar 2015 zou het aantal laaggeletterden moeten zijn ‘gereduceerd tot maximaal 600.000’. Gezien de ronduit feestelijke lancering van het nieuwe initiatief was het wellicht licht ironisch dat juist in datzelfde jaar 2007 het Max Goote Kenniscentrum deze scherpe waarschuwing aan de overheid richtte: ‘Volwasseneneducatie als publieke voorziening met een sterke professionele infrastructuur dreigt binnenkort vrijwel geheel te verdwijnen’. Volgens het Kenniscentrum waren verdergaande bezuinigingen en meer marktwerking daar schuldig aan. Sindsdien is de situatie niet beter geworden: terwijl er in het begrotingsjaar 2003 voor de ROC’s nog een rijksbudget van 340 miljoen euro beschikbaar was voor de volwasseneneducatie, bleek daarvan in 2012 nog slechts 56 miljoen over. Het aantal deelnemers liep navenant terug: van circa 50.000 in 2006 tot 20.000 in 2014, onder wie nauwelijks nog autochtone Nederlanders. Het huidige aantal zal aanzienlijk minder zijn, want inmiddels heeft een flink aantal ROC’s de poorten gesloten voor de volwasseneneducatie.
 
Feestjes
De volwasseneneducatie aan de ROC’s mocht dan door de rijksoverheid in rap tempo praktisch om zeep zijn geholpen, dat liet onverlet dat prinses Laurentien en haar Stichting Lezen & Schrijven steeds meer lof kregen toegezwaaid. De voorzitter van de Onderwijsraad Fons van Wieringen sprak in 2011 bij zijn feestelijke afscheid in de Ridderzaal: ‘Sinds prinses Laurentien zich met de bestrijding van analfabetisme en laaggeletterdheid bezighoudt, gaat het daarmee veel beter. Er is meer aandacht en belangstelling, en meer onderzoek en ontwikkeling op dit terrein.’ Belangrijker nog was wat minister Van Bijsterveldt al een jaar eerder had betoogd: ‘Afgelopen jaren is laaggeletterdheid steeds meer op de maatschappelijke agenda komen te staan. Prinses Laurentien heeft met al haar inzet laaggeletterdheid op een succesvolle manier bespreekbaar weten te maken. Die inspanning moet worden voortgezet!’ Met instemming van de Tweede Kamer verhoogde zij de OCW-bijdrage aan de Stichting L&S tot jaarlijks negen miljoen euro.

Er waren ook minder positieve geluiden. Het formidabele subsidiebedrag voor Laurentiens filantropische stichting aan Het Lange Voorhout in Den Haag, zorgde voor scheve ogen bij de gevestigde subsidieorganisaties, zoals de half gelijknamige Stichting Lezen, de Taalunie, Sardes en Cinop. In het onderwijsveld werd hardop geklaagd dat naarmate er meer bezuinigd werd op de volwasseneneducatie, er des te meer geld ging naar de Stichting L&S. Bovendien, zo mopperde men, miste de stichting van de prinses de benodigde expertise. Er verschenen kritische krantenberichten met koppen als ‘Stichting van prinses zit bij het ministerie op schoot’ (Algemeen Dagblad) en ‘Aap, noot, mis: Stichting prinses Laurentien krijgt aantal laaggeletterden niet omlaag’ (NRC Handelsblad). Bij de Stichting L&S zou het te veel draaien om ‘pr, recepties, feestjes en oploopjes met topmannen van bedrijven’, zo klaagde een ROC-bestuursvoorzitter in de kwaliteitskrant van Nederland. Zeker was inmiddels dat de resultaten van het alfabetiseringsbeleid nog immer niet om naar huis te schrijven waren. In 2007 werden in Nederland 1,1 miljoen laaggeletterden geteld tussen de zestien en 65 jaar. Vijf jaar later waren dat er 1,3 miljoen. Een toename van 200.000, die vooral op het conto kwam van de 45-plussers, veelal mensen die op latere leeftijd alsnog laaggeletterd worden omdat ze na hun schoolcarrière niet of nauwelijks nog lezen. In 2013 sprak prinses Laurentien in de Volkskrant van een ‘demografische tijdbom’ die moest worden aangepakt, ‘omdat de kloof tussen de mensen die het heel goed doen en de mensen die achterblijven groeit; dat bedreigt de sociale cohesie’.

Scheidslijnen
Rapport Gescheiden werelden
Het moet worden gezegd dat prinses Laurentien met haar uitspraken in de Volkskrant vooruitliep op het spraakmakende SCP-WRR rapport Gescheiden werelden? uit 2014, waarin werd gewezen op ‘een groeiende kloof’ tussen laagopgeleiden en hoogopgeleiden in de Nederlandse samenleving. Eigenlijk voor het eerst wees het Sociaal en Cultureel Planbureau op het probleem van de nieuwe ongelijkheid, met aan de onderkant van de samenleving een groep ‘achterblijvers’ en ‘onzekere werkenden’ die te maken hebben met een stapeling van problemen rondom opleiding, inkomen, gezondheid, wonen, veiligheid en sociaal isolement, terwijl aan de bovenkant de hoger opgeleiden optimaal gebruik kunnen maken van hun privileges in een digitale, geglobaliseerde samenleving. De in 2013 aangetreden nieuwe SCP-directeur Kim Putters (ex-senator van de PvdA) had het niet louter meer over Nederland als ‘een van de gelukkigste naties ter wereld’ (zoals het SCP voorheen regelmatig had gemeld), maar over ‘risicovolle scheidslijnen die de kans op maatschappelijk conflict vergroten’.

Sindsdien staat de tweedeling, die deels wortelt in laaggeletterdheid, op de politieke kaart. Zo sloeg ook informateur Herman Tjeenk Willink alarm. In het eindverslag over zijn informatiebezigheden voor het nieuwe kabinet, wierp hij de vraag op hoe legitiem een overheid is als zelfs competente burgers hun weg niet meer kunnen vinden in het digitale mangrovewoud van regelgeving en ambtelijke communicatie. Daarbij verwees hij naar de film van Ken Loach uit 2016 I, Daniel Blake, waarin een 59-jarige Engelse meubelmaker na een hartinfarct bij het aanvragen van een uitkering vastloopt in de digitale jungle van de nieuwe ‘e-overheid’. Een soortgelijke waarschuwing klonk onlangs tevens van de zijde van de nationale ombudsman Reinier van Zutphen toen die sprak over de ‘illusie van zelfredzaamheid’ waarmee de moderne overheid de burger aan diens lot overlaat.
 
Tel mee met taal
Eind 2013 begon voor het Nederlandse beleid tegen laaggeletterdheid een nieuwe fase, prinses Laurentien kondigde haar vertrek aan als (onbezoldigde) bestuursvoorzitter van de Stichting L&S. Vlak voor haar afscheid gaf zij toe dat het agenderen van laaggeletterdheid als maatschappelijk probleem niet genoeg was geweest. ‘De urgentie is hoog. Maar de opbrengsten tot nu toe zijn veel te kleinschalig. We zijn de strijd tegen laaggeletterdheid eigenlijk pas net begonnen’, aldus de prinses.
 
Zij werd opgevolgd door niemand minder dan Van Bijsterveldt, die in haar vorig leven als onderwijsminister Laurentiens stichting zo vorstelijk had gesubsidieerd. In NRC Handelsblad treurde Philip Huff: ‘Prinses Laurentien heeft er vrij kort na haar huwelijk voor gekozen haar bekendheid en imago in te zetten om aandacht te generen voor laaggeletterdheid. Dat is zelfs lovenswaardig. Maar met haar vertrek valt een belangrijke aandachtgenererende factor weg, voor Marja van Bijsterveldt gaan minder deuren open. Ze is simpelweg een minder aansprekende naam. Dat is vervelend. Niet alleen voor de stichting, maar voor ons allemaal.’ Niettemin liet Van Bijsterveldt flink van zich horen. Toen uit een rapport van de Universiteit Maastricht (pdf) bleek dat Nederland in relatie tot andere landen relatief weinig geld uitgeeft aan de bestrijding van laaggeletterdheid, pleitte zij in NOS Nieuwsuur direct voor meer budget. ‘Er is de afgelopen jaren wel geïnvesteerd, maar we zien dat in andere landen meer geïnvesteerd wordt. Dat is waarschijnlijk de reden dat bij ons het aantal laaggeletterden groeit’, stelde Van Bijsterveldt. De impliciete kritiek op het alfabetiseringsbeleid van het nieuwe kabinet-Rutte II werd haar niet door iedereen in dank afgenomen. Zo reageerde onderwijsminister Jet Bussemaker hoogst geïrriteerd in dezelfde uitzending van Nieuwsuur: ‘Laaggeletterdheid is een ernstig probleem waar dit kabinet, langs verschillende wegen, sterk op inzet. In de eerste plaats door het budget voor de aanpak te vergroten. Ik investeer negen miljoen meer dan mijn voorganger.’ 
 
Rapport Rekenkamer
Het mag zo zijn dat Bussemaker zich iets guller toonde dan haar voorganger Van Bijsterveldt, maar in feite deed zij niets anders dan het beleid van haar voorganger voortzetten: de aanpak van laaggeletterdheid zoveel mogelijk delegeren naar de ‘participatiesamenleving’, waarvan Bussemaker overigens zelf een van de bedenkers was geweest. Minder (dure) professionals, en meer (goedkope) vrijwilligers was daarbij het adagium. Een fikse tegenvaller voor Bussemaker was evenwel dat de Algemene Rekenkamer zich afvroeg wat haar nationale actieprogramma Tel mee met taal nu eigenlijk bijdroeg aan de oplossing van de problematiek. ’s Lands rekenmeesters hadden becijferd dat Nederland geen 1,3 miljoen, maar 2,5 miljoen laaggeletterden telde. Al dan niet moedwillig had het ministerie van OCW 1,2 miljoen laaggeletterde 65-plussers over het hoofd gezien. Bussemakers ‘nieuwe aanpak’ schoot tekort en getuigde van weinig ambitie, zo luidde het oordeel van de Rekenkamer. Van Bijsterveldt was er wederom ogenblikkelijk bij. Nog op dezelfde dag van verschijning van het Rekenkamerrapport deed zij in een persbericht samen met gemeenten (VNG), ROC’s (MBO Raad), de Sociaal-Economische Raad (SER), het bedrijfsleven (VNO-NCW), werknemers (FNV) en bibliotheken (VOB) een oproep om een grootscheeps taaloffensief te starten. Het ambitieniveau van het kabinet moest flink omhoog, aldus Van Bijsterveldt, en dit om jaarlijks 100.000 laaggeletterden te trainen. Bussemaker had er weinig boodschap aan en schreef in haar officiële beleidsreactie laconiek: ‘Laaggeletterdheid is een weerbarstig en complex probleem. Het is niet zomaar op te lossen. Het is niet waarschijnlijk dat het aantal mensen dat moeilijk kan lezen en schrijven de komende jaren snel daalt.' Inmiddels is Van Bijsterveldt opgevolgd door SER-voorzitter Mariëtte Hamer en heeft prinses Laurentien haar erevoorzitterschap bij de stichting opgegeven.

Taalhuizen
De kritiek op Tel mee met taal, betekent niet dat er geen successen zijn. Op 18 maart 2019 berichtte minister Ingrid Van Engelshoven van OCW (D66) aan de Tweede Kamer (pdf) dat de meeste doelstellingen behaald waren, sommige zelfs beter dan verwacht. In drie jaar zouden 90.000 deelnemers zijn bereikt, zij het overwegend mensen met een migratieachtergrond. Overal in het land zijn plaatselijke en regionale taalnetwerken geformeerd waarin diverse organisaties zoals ROC’s, zorgaanbieders, wijkteams, bedrijven, uitkeringsinstanties en maatschappelijke dienstverleners met elkaar samenwerken in de aanpak van laaggeletterdheid. Een sleutelrol is daarbij weggelegd voor de bibliotheeksector, die zijn aloude roeping van volksverheffing herontdekt heeft. Na jarenlang geplaagd te zijn door bezuinigingen, dalende uitleencijfers en een terugloop van leden, hebben de bibliotheken nieuw bestaansrecht gekregen door zich toe te leggen op de preventie en bestrijding van laaggeletterdheid. Deze nieuwe functie van de bibliotheek werd aangemoedigd door de Commissie Cohen en later onder de noemer van 'lezen’ en ‘educatie’ bekrachtigd in de nieuwe bibliotheekwet (Wsob) van 2015.
 
In het kader van het deelprogramma Kunst van lezen zijn er voor de leeftijdsgroep van nul tot en met achttien jaar programma’s als BoekStart en de Bibliotheek op school die gericht zijn op taalontwikkeling en leesbevordering. In samenwerking met het reguliere onderwijs zijn inmiddels meer dan een miljoen kinderen bereikt met leesactiviteiten. Voorts zijn er voor volwassenen zogeheten Taalhuizen ingericht waarin bevlogen vrijwilligers actief zijn om mensen te helpen bij het leren van de Nederlandse taal of hen te leren omgaan met de computer, tablet en smartphone. Het wegvallen van de volwasseneneducatie bij het ROC wordt zo voor een deel gecompenseerd door de bibliotheken. Veelal ontvangen zij daarvoor een vergoeding uit het gemeentelijke educatiebudget (landelijk ongeveer 58 miljoen euro) dat voorheen vanwege de gedwongen winkelnering uitsluitend bestemd was voor de ROC’s. Misschien is de aanpak bij de bibliotheken minder professioneel, maar het is mede door de inzet van vrijwilligers wel een stuk goedkoper, en het wordt doorgaans met veel enthousiasme en toewijding gedaan.

Nieuwe ambities
Hoe verder? Ondanks veertig jaar ongeremde beleidsdrift is het aantal laaggeletterden in Nederland alleen maar toegenomen. De Rekenkamer heeft de teller op 2,5 miljoen laaggeletterden gezet, dat is achttien procent van de volwassen Nederlandse bevolking. Men kan twisten over de telmethode, maar feit is dat Nederland op alle internationale ranglijsten (TIMMS, PIRLS, PISA en PIAAC) steeds slechter presteert. Niet alleen vergrijzing en immigratie zijn hier debet aan, maar ook steeds meer jongeren verlaten de school laaggeletterd. Ongeveer een derde van de Nederlandse tienjarigen ervaart geen of weinig leesplezier, en het percentage laaggeletterde vijftienjarigen steeg van 11,5 procent in 2003 naar 17,9 procent in 2015. Tegen dit perspectief heeft onderwijsminister Van Engelshoven onlangs in een kamerbrief van 28 pagina’s de Tweede Kamer geïnformeerd over de vervolgaanpak van Tel mee met taal (inclusief Kunst van lezen). ‘Samen aan de slag voor een vaardig Nederland’ (pdf), zo luidt de boodschap. De ‘nieuwe aanpak’ loopt van 2020 tot en met 2024, en ook de ministeries van VWS, SZW en BZK doen mee. Naar goed Nederlands gebruik heeft de hele polder afgelopen jaar over het plan mee mogen denken. Er was bestuurlijk overleg (onder andere IPO en VNG), er is geluisterd naar de Rekenkamer, moties vanuit de Tweede Kamer zijn gehonoreerd, en er waren dialoogdagen, brainstormsessies, expertmeetings, inspiratiebijeenkomsten, veldconsultaties en interactieve stemmingen.
Rapport Samenwerken aan Taal
Het vernieuwde Tel mee met taal staat bol van ‘nieuwe ambities’, maar wel met de bijsluiter dat de ‘aanpak van laaggeletterdheid complex is en een lange adem vereist’. Ondanks al het polderen, een waslijst aan maatregelen en jaarlijks vijf miljoen euro extra, is toch niet iedereen tevreden. De SER bracht onlangs het lijvige advies ‘Samenwerken aan taal’ (pdf) uit waarin de beoogde aanpak als volstrekt onvoldoende wordt afgewezen. De SER doet daarom een oproep aan het kabinet om een beter plan te maken, en dat weer samen met de sociale partners, de VNG, de aanbieders van taalopleidingen en de kennisinstellingen zoals Stichting Lezen & Schrijven. Meer onderwijskwaliteit, meer professionaliteit, meer kennisontwikkeling, meer landelijke regie en vooral meer geld zouden nodig zijn. Een verdubbeling van het jaarlijkse educatiebudget van 85 miljoen euro zou vereist zijn om de bezuinigingen van de afgelopen twintig jaar ongedaan te maken. Inmiddels hebben de VNG, Divosa en Stichting Lezen & Schrijven instemmend gereageerd. We gaan zien waartoe het leidt. Op 13 juni is er in de Tweede Kamer het zoveelste debat over laaggeletterdheid, en het enige dat zeker is, is dat er nadien nog heel veel debatten zullen volgen. Onderwijl kunnen de bibliotheken natuurlijk gewoon gezamenlijk verder aan de slag voor een vaardig Nederland. Wordt vervolgd.


Tekst: Thomas Bersee (adviseur volwasseneneducatie ProBiblio)

Bovenstaand artikel is een geactualiseerde versie van ‘De tranen van een prinses: Het drama van 40 jaar alfabetiseringsbeleid’ (pdf), in Hollands Maandblad, november 2017, nummer 840. Dit artikel verscheen ook in Bibliotheekblad, nr 5 2019.



Reacties op dit artikel (0)

Er zijn nog geen reacties.

Schrijf een reactie

Naam
E-mailadres (?)
Reactie
 

Gerelateerde informatie

Gastblog

Durf te dromen Loeka van der Kooij

Durf te dromen. Dat is het landelijke thema van de Week van de Alfabetisering die in september 2019 zal plaatsvinden. En gedroomd; dat hebben we. In Bibliotheek Bollenstreek werden in oktober 2018 de eerste plannen rondom deze week al gesmeed. Een Bibliotheek Bollenstreek Boekenbal. De alliteratie alleen... Lees verder