HomeNieuwsNieuws uitgelichtBericht
voetnoot
Mari Nelissen: ‘Je moet ergens voor staan’
Eimer Wieldraaijer
17-07-2019
Een rijke en veelzijdige collectie. Bibliothecarissen met voldoende geestelijke bagage en kennis van de collectie. Programmeurs die de collectie weten te verbinden aan de behoeften in de lokale gemeenschap. Volgens Mari Nelissen is het verzorgen van professioneel bibliotheekwerk minder complex dan vaak gedacht. Alleen: waar vind je het nog?
Mari Nelissen: ‘Je moet ergens voor staan’
Mari Nelissen begon zijn carrière als bibliothecaris in 1983 bij de Bibliotheek Drunen. Al snel kreeg hij de functie van regiodirecteur bij de Provinciale Bibliotheek Centrale Noord-Brabant. In 1990 werd hij directeur van de Bibliotheek Oss. In de decennia erna groeide de onder hem ressorterende organisatie door fusies en gemeentelijke herindelingen tot een verband dat bestaat uit zeventien vestigingen en circa 135 medewerkers. Op 20 mei van dit jaar nam hij afscheid als bestuursvoorzitter van de Noord Oost Brabantse Bibliotheken (NOBB) en eindverantwoordelijke voor het bibliotheekwerk in de gemeenten Oss, Uden, Meierijstad, Landerd en Bernheze. Wat bleef, is zijn tomeloze enthousiasme over én zorg om de teloorgang van het vak. Zijn reactie op een aantal stellingen.

Ik ben nu een andere bibliothecaris dan ik in 1983, toen ik in het bibliotheekwerk begon, had kunnen bevroeden.
Mari Nelissen: ‘In essentie ben ik geen andere bibliothecaris geworden. Aan de vorm van het vak is in de loop der jaren een heleboel veranderd, maar aan de inhoud niet. Sterker: in wezen is het vak nog steeds hetzelfde als toen ik als kind naar de bibliotheek ging om daar een aantal nieuwe boeken te lenen. Alles begint en eindigt met je collectie en je kennis.’

Als ik het over kon doen, koos ik opnieuw voor dit vak.
‘Ongetwijfeld. Meteen. Het vak is leuk, de mensen die je ontmoet en met wie je werkt zijn leuk. Je krijgt er zoveel bij… Je bent betrokken bij alle media. Daardoor doe je in de loop der jaren zoveel kennis op. Je komt in aanraking met zoveel dingen waarvan je het bestaan niet wist. Dat alles krijg je er gratis bij. Schitterend voor nieuwsgierige mensen zoals ik.’

Het mooiste is en blijft het front-officewerk. Het stroperige bestuurswerk, de ellenlange vergaderingen, de moeizame onderhandelingen: ze kwamen me op den duur de keel uit.
‘In de aanloop naar mijn afscheid heb ik eens geteld hoeveel bestuursvergaderingen ik gedaan heb. Bij eerste telling kwam ik uit op 863, uiteindelijk bleken het er ruim 1100 te zijn. Die bestuursvergaderingen waren belangrijk – zij legitimeren immers wat je aan het doen bent – maar veel mooier is het kippenvel dat je een bezoeker kunt bezorgen doordat hij of zij iets heeft geleerd of ontdekt. Want dat is in mijn ogen waar het in de bibliotheek om draait. Daar doe je het voor.’

Meijer (Stuurgroep Herstructurering Openbaar Bibliotheekwerk, 2000) had het goed gezien. De opschaling van de afgelopen decennia heeft de bibliotheek sterker gemaakt. Er zijn echter ook dingen verloren gegaan.
‘Dat is zeker waar. In het verleden ben ik behalve van de bibliotheek ook directeur geweest van Muzelinck Centrum voor de Kunsten en cultuurpodium De Groene Engel in Oss. Ik heb altijd geweigerd om een fusie tussen deze instellingen en de bibliotheek tot stand te brengen, anders dan dat elke werksoort op zichzelf kon voortbestaan en gelegitimeerd diende te worden in het gemeentehuis. Toen de commissie-Meijer aan de slag ging, dreigde er ten gevolge van fusies van alles in het bibliotheekwerk verloren te gaan. Dat is door de strategisch handige manoeuvre van Meijer voorkomen. Maar tegelijkertijd leidde het in bestuurlijke zin tot de binnenkomst van managers die geen enkel gevoel meer hadden met de oorsprong en betekenis van de bibliotheek. We hebben allemaal gezien tot welke rampen dat heeft geleid. Op het moment dat je consumententechnieken als marketing of warehousing gaat invoeren in je branche of organisatie, moet je je wel realiseren dat dat te maken heeft met verkoop, terwijl wij er zijn voor de burger. Dat onderscheid ben ik altijd blijven maken. Wij zijn geen consumentenorganisatie.’

Marketing is niets meer dan een hulpmiddel.
‘Natuurlijk kun je iets met marketing of doelgroepenanalyse, en dat doen wij hier ook, maar in gesprekken op het gemeentehuis moet het wel gaan om de inhoud, om idealen die we hebben in het bibliotheekwerk. Dan moet het niet gaan om de zoveelste uitlening. Dat is te gemakkelijk. Als je in het consumentenbibliotheekwerk directeur wilt worden, kun je net zo goed leiding gaan geven aan een bandencentrale. Voor sommigen is dat van hetzelfde laken een pak, maar ik leef in de overtuiging dat het wel degelijk verschil maakt. Daarom zie je ook dat in sommige bibliotheken collecties niet langer onderwerp van gesprek zijn. Terwijl daar de kennis en de toegevoegde waarde van de bibliotheek zit. Ik ben blij dat er in deze organisatie een aantal mensen rondloopt dat snapt dat het gaat om het samenbrengen van de collectie en de gemeenschap. Betrokken mensen die beseffen dat je moet zorgen dat de gemeenschap iets kan met die collectie.’

Samenwerking met partners is noodzakelijk en verrijkend, maar zij kan het profiel van de bibliotheek diffuus maken.
‘Het sociaal domein waarin we tegenwoordig allemaal zwemmen omdat de politiek daar een zak met geld neerlegt, is daarvan een goed voorbeeld. Als je gaat samenwerken, moet je heel goed weten wie je zelf bent. Pas als je dat weet, kun je vertellen wat de bibliotheek kan toevoegen. En de bibliotheek kan niets toevoegen aan het sociaal domein, anders dan dat zij de burger of lezer kan faciliteren, zodat deze zich beter staande weet te houden in de samenleving. Voor de rest hebben wij daar niets te bieden.’

Verwatering van je profiel leidt tot kwetsbaarheid.
‘Als je op het gemeentehuis komt en niet weet wie je zelf bent, dan weet de gemeente heel snel duidelijk te maken wie jij wel bent. En dan gaat die gemeente dat zelf invullen. Ik vind dat je stevig moet staan in je overleg met de overheid en haarfijn moet kunnen uitleggen waarom je iets doet met bepaalde media of andere zaken. Er is momenteel een branchevervaging gaande waar ik bijna angstig van word. Ik leef in de veronderstelling dat lezen een basisvaardigheid is die onmisbaar is om goed te functioneren in deze maatschappij, en dat wij ons dienen te richten op het bevorderen van die vaardigheid. Ik heb ooit een GGD-onderzoek laten doen naar de woordenschat van dorpskinderen die opgroeiden in een dialect. De woordenschat van deze kinderen bleek lager dan die van in de stad geboren kinderen. Anders gezegd: die dorpskinderen begonnen in het onderwijs met een achterstand die ze de rest van hun leven niet meer inlopen. Dat argument heeft mij geholpen in discussies met een gemeente over het openhouden van de bibliotheek. Je moet ergens voor staan.’

Het is hoog tijd voor een heroriëntatie op onze kernwaarden.
‘Ik zou het anders noemen. Wij zijn bij de NOBB niet een nieuwe bibliotheek aan het maken, wij zijn de volgende bibliotheek aan het maken. Die volgende bibliotheek moet gebouwd zijn op het fundament dat onze voorgangers gelegd hebben. Waarbij het heroverwegen van onze kernwaarden niet zo ingewikkeld is. Het moeilijkst is nog het waarborgen van kennis van de collectie, zonder dat je die collectie in huis hebt. Hoe gaan we dat organiseren? Daar zou de branche zich druk om moeten maken. Denk aan de digitale collectie. Hoe weten we wat we op dat vlak allemaal hebben en hoe we dat toegankelijk kunnen maken voor mensen? Niemand weet dat. De jungle waarvan dikwijls sprake is, wordt nog groter.’

Het is hoog tijd voor een heroriëntatie op ons beroep. Want in tegenstelling tot de gangbare opvatting van heden ten dage: bibliothecaris is wel degelijk een vak, een expertise.
‘Het is ongelooflijk hoe de professionele opleiding die we in Nederland kenden om zeep is geholpen. Daarom moeten we nu zelf medewerkers opleiden. We hebben enkele pogingen gedaan om dat in regionaal verband met elkaar op te pakken, maar dat is niet gelukt. Om die reden zijn we bij de NOBB zelf met de BibliotheekSchool begonnen. Onze eigen mensen gaven aan dat ze behoefte hadden aan meer collectiekennis.
Het is in mijn ogen echt een gotspe dat er geen landelijke bibliotheekopleiding meer is. Er wordt veel gepraat, maar er gebeurt niks. De cursus community librarian is een aardige aanzet, maar zij is vooral gericht op het proces tussen lezer en bibliotheek, en niet op de samenhang tussen lezer en collectie. Ik schrik als ik in een bibliotheek kom waar kennis van de collectie ontbreekt bij de medewerkers. Dan is de bibliotheek in feite een supermarkt geworden waar je goedkoop aan je spullen komt maar waar de kwaliteit ondermaats is. De meerwaarde van de bibliotheek zit erin om de kennis van de medewerker en de lezer samen te brengen.’

Samen met Gio van Creij, Hans van Duijnhoven, Marina Polderman en Joyce Sternheim ben je begonnen aan een ‘struikeltocht’, een essayreeks over bibliotheken en betrokkenheid. Het eerste deel (2013) gaat in op de vraag voor welke waarde(n) bibliotheken in de samenleving staan. Het tweede deel (2014) gaat over de bibliothecaris van de toekomst. Deel drie (2016) behandelt programmering en deel vier (2017) schetst het continuüm van het bibliotheekvak. In het vijfde en (voorlopig) laatste deel (2019) staat de collectie centraal. Daarin stellen jullie: ‘De collectie is de grondstof van ons vak’. De bibliothecaris fungeert als gids in letterenland.
‘De bibliothecaris moet in ieder geval in staat zijn om verbanden te leggen binnen de collectie. Een voorbeeld. Als een bezoeker een vraag stelt over de Synode van Dordrecht, dan hoort de bibliothecaris te weten dat Johan van Oldenbarnevelt, Hugo de Groot en Prins Maurits daar iets mee te maken hebben. Omdat de Tachtigjarige Oorlog van wezenlijk belang is geweest voor het ontstaan van dit land. Over dat soort basale kennis dient de bibliothecaris te beschikken. De bibliothecaris moet de sleutel hebben om die historie te ontsluiten. Zoals hij die ook dient te hebben op het gebied van chemie, topografie of schilderkunst.’

Aan nieuwkomers in de branche worden lagere eisen gesteld.
‘Er wordt vooral gevraagd naar communicatieve vaardigheden en processturing, maar datgene waarover je moet communiceren, telt niet meer. We kunnen prachtig communiceren, maar de materie die erbij hoort, is in lucht opgegaan. Dat is heel ernstig. Temeer daar de gemiddelde Nederlander steeds hoger opgeleid wordt, en bibliotheken ervoor gekozen hebben om hun dienstverlening steeds lager in te richten. In de bibliotheek moet je steeds hoger opgeleide medewerkers hebben om de burgers te kunnen helpen. Wat doen wij echter? Wij doen het precies andersom. Wat wij doen, staat haaks op de maatschappelijke ontwikkeling. Zie ook het beroep op al die vrijwilligers.’

We zetten de bijl aan de wortel van onze toekomst.
‘Dat is zo. Uiteindelijk gaat het immers om je toegevoegde waarde. Ik roep dit al langer en wat je dan merkt, is dat je wordt weggezet als grumpy old man. Je wordt gezien als een zeurkont. Ik heb veel rondgekeken in het land, en wat ik her en der tegenkwam, waren modegrillen en doekjes voor het bloeden. Maar waar het over gaat, daar wordt niet over gesproken. Het merendeel van degenen die de besluiten nemen in onze branche, hebben geen gevoel meer bij de collectie. Sterker: we hebben ons een tijdlang laten voorstaan op managers die geen kennis hadden van het openbare bibliotheekwerk. Bedroevend. We hebben toch gezien tot welke ellende dat in Eindhoven en elders heeft geleid?’

Collectiebeleid moet je niet uitbesteden.
‘Programmeren is een middel om de collectie te ontsluiten. Die verbinding is cruciaal. Wil je de link kunnen blijven leggen met de lezer en met de gemeenschap waarin je werkt, dan zul je ervoor moeten zorgen dat je die kennis combineert met het collectioneren van je boeken. Een voorbeeld. In Oss komt een mestfabriek. Dan gaan wij daaromheen programmeren om de burger te informeren. Daarbij zetten we onze collectie in. Zo zijn er meer voorbeelden waar je als bibliotheek iets mee kunt en waarmee je recht doet aan je eigen functie.’

De lokale agenda is leidend.
‘Wij volgen de lokale agenda. Uiteindelijk is het immers de lokale gemeenschap die deze bibliotheek betaalt. Daarom hoort de bibliotheek ook in het centrum van haar werkgebied te zitten. Discussie over deze stad voer je in het midden van deze stad. Als bibliotheek willen wij graag dat podium zijn.’

De bibliotheek moet stelling nemen, activistisch zijn.
‘Ik weet dat David Lankes die opvatting aanhangt. Hij vindt dat we partij moeten kiezen bij thema’s als achterstelling, duurzaamheid en klimaatverandering. Daar ben ik het niet mee eens. Als je dienaar bent van de gemeenschap moet je je realiseren dat er in die gemeenschap veel verschillende opvattingen over een onderwerp leven. En al die opvattingen zijn even legitiem. Althans in onze ogen, als bibliothecaris. Dus zullen wij de materie van alle kanten belichten en geen keuze maken. Waar halen wij immers de arrogantie vandaan om te weten hoe het allemaal zou moeten in deze wereld? Ons vak is de mensen te wijzen op de media die hen verder kunnen helpen bij het zich informeren over een onderwerp.’

De bibliotheek als onafhankelijke en neutrale factor.
‘Ik ga graag en vaak naar Engeland. Onlangs zat ik daar in een klein stadje in een pub. Op een bordje onder de tv stond het verzoek om niet over de brexit te praten. Toen ik de landlord naar de reden vroeg, zei deze: “Aan die kant van de bar staat de broer van deze man. Zij praten niet meer met elkaar vanwege de brexit.” Vervolgens ben ik gaan kijken bij het huis van de Conservatives, van Labour en van de Liberal Democrats. Zoals te verwachten viel, zag ik bij de conservatieven enkel pamfletten voor vertrek, bij Labour wisten ze niet wat ze wilden, en bij de liberaal democraten uitsluitend brochures voor blijven. Waarna ik de bibliotheek heb bezocht. Wat had deze? Drie tafels. Eén tafel met alle informatie over de brexit, één tafel met alle lokale problemen rondom de brexit - zoals boeren die hun subsidie verliezen, vissers die meer visserijgronden krijgen - én één tafel waar de lezers hun opinie kwijt konden. Ik dacht: als het in het café niet kan, als de partijkantoren het niet aankunnen, wat is dan een mooiere plek dan de bibliotheek? Een provinciaal bibliotheekje dat perfect op deze kwestie inspeelt. Dat laat zien wat de rol is van de bibliotheek. Toen, nu, en straks.’

De bibliotheekwet is een zegen.
‘Mee eens, want deze geeft in ieder geval aan wat de oorspronkelijke taken van de bibliotheek zijn en hoe wij ons verhouden tot de overheden. Aan de andere kant laat de wet hopeloos veel ruimte over aan bibliotheken om hun eigen verantwoordelijkheid te nemen bij iets als de collectie.’

Goed dat de KB landelijk de regierol heeft gekregen.
‘Ik zou niet weten welke rol… Noch die van de VOB. Eerlijk gezegd, vind ik het niks. Er gebeurt helemaal niets. Onze branche is ontspoord. Wij zijn de weg kwijt. En wel op een enorme manier. De VOB zou zich echt moeten verdiepen in de vraag: waar zijn wij mee bezig? Kijk naar het schandaal rondom de belasting… Dan denk ik: je hebt helemaal niet begrepen wat je aan het doen bent in deze samenleving. Ik vind dat zo slecht. Er is geen visie, geen ontwikkeling, geen brancheplan. Beter gezegd: er wordt van alles geroepen, maar er gebeurt niks. Men vliegt alle kanten op. Dat heeft ermee te maken dat men in de leiding van veel bibliotheken niet meer weet wat nou precies een bibliotheek is. Dus krijg je dit soort vluchtig bibliotheekwerk. Vandaag is het sociale inclusie, morgen het verkeersdiploma, en overmorgen gaan we ziekenhuizen ondersteunen. Voor alle duidelijkheid: ik heb grote bewondering voor al die hardwerkendende bibliotheekmedewerkers die dagelijks hun beste beentje voorzetten. Overal zie je initiatieven die aantonen dat we als branche willen experimenteren en leren. Mijn kritiek richt zich op het management en de landelijke sturing. Het gevolg van al hun gezwalk is namelijk dat er veel schade zal ontstaan. Als je in het gemeentehuis aan de gesprekstafel zit en je bent slechts half bewapend – ik gebruik expres oorlogstermen – dan word je weggevaagd. Je moet zorgen dat je tot de tanden toe bewapend bent om de kern van je werk te verdedigen. Niet om mezelf op de borst te slaan, maar ik herinner me discussies met de wethouder van Geffen die van alles van ons verlangde. Toen heb ik gezegd: je mag dat allemaal willen, maar als je daaraan vasthoudt, leveren wij hier geen bibliotheekwerk meer. Nogmaals: je moet ergens voor staan als bibliotheek. Misschien zeggen sommigen na lezing van dit stuk: wat een chagrijn bij die vertrekkende Nelissen. Zo is het niet bedoeld. Wat ik zeg, zeg ik omdat ik oprecht hoop dat we de weg weer zullen vinden.’

Tekst: Eimer Wieldraaijer
Foto: LinkedIn

Dit interview verscheen ook in Bibliotheekblad nr 6 2019.
 


Print deze pagina

Reacties op dit artikel (1)

Wim Keizer
6-8-2019 14:18
Is het niet een teken aan de wand en bewijst het niet precies het gelijk van Mari Nelissen dat op dit interview nog geen enkele gedegen reactie is gekomen?
Ik zag, zoals gebruikelijk, alleen wat snel getwitter.

Schrijf een reactie

Naam
E-mailadres (?)
Reactie
 

Gerelateerde informatie

Peiling

De (kennis over de) collectie moet weer centraal komen te staan in de bibliotheek
Eens
Oneens
In een interview in Bibliotheekblad nummer 6 betoogt Mari Nelissen, die op 20 mei van dit jaar afscheid nam als bestuursvoorzitter van...
Lees meer en geef uw mening