HomeNieuwsNieuws uitgelichtBericht
voetnoot
Nieuw beleidskader Plusfunctie: oprichting werkverband en inrichting ‘clearinghouse’
Bart Janssen
20-07-2018
Onlangs hebben de PLUSbibliotheken, de Centrale Discotheek Rotterdam (CDR), de Stichting SPN (Samenwerkende POI’s Nederland) en de Koninklijke Bibliotheek (KB) overeenstemming bereikt over een nieuw beleidskader voor de zogeheten PLUSfunctie. Het nieuwe kader is opgesteld naar aanleiding van een aantal afspraken in het Gezamenlijk Collectieplan en heeft betrekking op collecties met een landelijke functie. In het beleidskader worden onder andere de oprichting van een werkverband en de inrichting van een zogeheten ‘clearinghouse’ aangekondigd
De PLUSfunctie (voorheen ook wel de WSF-functie genoemd) is momenteel belegd bij veertien, doorgaans grotere, lokale bibliotheken die een specifiek wetenschapsdomein beheren: de zogeheten PLUSbibliotheken (met zogenoemde HBO+-collecties). In het in december 2016 vastgestelde Gezamenlijk Collectieplan wordt onder meer geconcludeerd dat vanuit het klantperspectief een op het netwerk ingerichte, brede PLUSfunctie voor fictie én non-fictie wenselijk is en dat de financiering hiervan goed geregeld moet worden. Behalve de HBO+-collecties zijn er nog meer collecties (bijvoorbeeld longtail en (blad)muziek) die niet in elke lokale bibliotheek of provincie aanwezig zijn. Om deze reden dient de PLUSfunctie te worden herzien. De Centrale Discotheek Rotterdam (CDR) wordt hierbij betrokken. Een externe kwartiermaker, Maurits van der Graaf (Pleiade Management en Consultancy), heeft een onderzoek (pdf) uitgevoerd, op basis waarvan samen met de betrokken partijen een advies is opgesteld. Op basis van dit advies is er een Uitvoeringsagenda nieuw beleidskader PLUSfunctie opgesteld, waarin staat welke veranderingen er op welke wijze worden doorgevoerd. 

KennisPlusfunctie
In het door Maurits de Graaf opgestelde Nieuw Beleidskader PLUSfunctie (pdf) wordt de PLUSfunctie ‘KennisPlus’ genoemd, waarbij KennisPluscollecties worden gedefinieerd als: ‘Non-fictie boeken met als doel kennisoverdracht en/of kennisverdieping voor studie, beroep of zelfontplooiing’. Het gaat hierbij om professionele vakinformatie en om (voornamelijk tertiaire en soms secundaire) wetenschappelijke informatie. Daaraan gekoppeld zijn binnen de KennisPlusfunctie eveneens programma-activiteiten en dienstverlening gericht op overdracht en verdieping van kennis. Het landelijk IBL-verkeer betreft voor 30 à 40 procent KennisPlustitels.

In de beleidsnota worden enkele beleidslijnen uitgezet gericht op het verbreden én doorontwikkelen van de KennisPlusfunctie.

De Graaf begeleidt zijn advies met de volgende opmerking: ‘Deze beleidsnota heeft hopelijk als effect dat de hierboven genoemde functies KennisPlus en Muziekcd’s in de komende jaren op een nieuwe leest geschoeid worden. Een bezinning op
Plusfuncties in het algemeen is echter op zijn plaats: onder invloed van de afnemende collectiebudgetten en de verschuiving van de klassieke bibliotheek naar de maatschappelijke bibliotheek, zullen er steeds meer collectieonderdelen uitsluitend op landelijke schaal efficiënt en effectief zijn. Een digitale vorm van dergelijke landelijke Pluscollecties heeft de voorkeur, maar zal in veel gevallen niet mogelijk blijken te zijn. Daarom wordt gepleit om in de komende jaren voor dergelijke fysieke long-tail collecties met een landelijke functie een financieringsmodel te ontwikkelen, waaraan de OB’s financieel bijdragen én als gevolg daarvan hun dienstverlening mede op kunnen baseren.’

Oprichting werkverband ‘GroteCollectie OB’s’
In de beleidsnota wordt gesteld dat het vernieuwde IBL-systeem zo zal worden ingericht dat álle OB’s conform de WSOB landelijk kunnen leveren om ervoor te zorgen dat elk lid van de openbare bibliotheek toegang heeft tot een ‘pluriforme collectie Nederland’. In de praktijk zal het er op neer komen dat ongeveer dertig OB’s
(waaronder de huidige Plusbibliotheken) netto-leveranciers zijn vanwege de aard en
omvang van hun collectie. Deze bibliotheken worden in de nota aangeduid als ‘GroteCollectie OB’s’. ‘Voor meerdere van deze GroteCollectie OB’s zullen ook andere speerpunten van de KennisPlusfunctie, zoals programmering en collectie, relevant zijn. Dit vraagt om een verbreding van de KennisPlusfunctie door middel van het opzetten van een nieuw werkverband tussen deze GroteCollectie OB’s, zowel voor het IBL als voor andere KennisPlus activiteiten, waarin ook de KB en SPN hun rol spelen,’ aldus de beleidsnota. De implementatie van dit werkverband moet gerealiseerd zijn per 1 januari 2019, de regie vindt plaats vanuit SPN.

Landelijke afspraak bewaarbeleid
‘Uitgangspunt is dat er een landelijke netwerkcollectie ontstaat die voldoende pluriform is om aan de landelijke klantvraag te voldoen. De deelnemende bibliotheken collectioneren hierbij voor hun eigen werkgebied en stellen hun collectie landelijk beschikbaar. Dit betekent dat de huidige plusbibliotheken niet meer voor landelijke doeleinden een specifieke collectie op HBO+-niveau hoeven te onderhouden,’ zo stelt de KB op haar website. In de beleidsnota wordt gesteld dat voor de gezamenlijke OB-collectie wat betreft acquisitie geen meerwaarde wordt verwacht van een landelijke coördinatie anders dan een wederzijdse informatie-uitwisseling wat betreft de acquisitie van digitale titels en fysieke titels. Wél wordt er een landelijke afspraak ten aanzien van het bewaarbeleid van het laatste fysieke exemplaar geïntroduceerd, waarbij de uitvoering van deze afspraak voornamelijk zal neerkomen op de GroteCollectie OB’s.
Er bestaat een brede consensus over de noodzaak van een vorm van landelijke coördinatie op het gebied van het bewaarbeleid, zo stelt De Graaf vast. ‘Hiervoor is gekozen voor het bewaren van het laatste fysieke exemplaar mits dit bibliothecair relevant wordt geacht en onder voorwaarde van de ontwikkeling van een te ontwikkelen automatische attenderingsservice dat bij een te saneren collectieonderdeel aangeeft welke titels het laatste fysieke exemplaar betreffen. De
beheerder van het te saneren collectieonderdeel dient dan vast te stellen of deze laatste exemplaren nog bibliothecair relevant zijn. Het gaat om de vraag of er nog een uitlening van deze titel te verwachten is en of deze titel inmiddels al in gedigitaliseerde vorm beschikbaar is gemaakt door de KB.’ Met betrekking tot de alertservice wordt in de nota verwezen naar een vergelijkbaar instrument dat reeds is ontwikkeld door Ingressus en dat door enkele bibliotheken in gebruik is genomen. Hun ervaringen worden binnenkort geëvalueerd. Deze evaluatie kan hopelijk ingezet worden voor de verdere ontwikkeling van deze dienst, die vervolgens ter beschikking dient te worden gesteld aan alle OB’s als onderdeel van de digitale infrastructuur zoals verzorgd door de KB. Per provincie zullen er dan nog afspraken moeten worden gemaakt over de bewaring van het laatste exemplaar.
 
Financiering
In de paragraaf ‘Financiering’ wordt vastgesteld dat er als gevolg van diverse maatschappelijke ontwikkelingen een inkrimping van de lokale, fysieke collecties van de OB’s plaatsvindt die niet geheel gecompenseerd kan worden door de digitale component van de gezamenlijke OB-collectie. De door de PLUSbibliotheken opgebouwde collecties - met inmiddels voor een groot deel weggevallen provinciale WSF-subsidies - vervullen een belangrijke functie op provinciaal en landelijk niveau zonder dat hier voor de meeste betrokken bibliotheken een adequate financieringsgrondslag is. De nota noemt dit op termijn niet houdbaar. ‘Sterker nog: het ontbreken van een perspectief op een dergelijke landelijke financieringsgrondslag in dit beleidskader zou de bereidwilligheid van de betrokken bibliotheken (en van hun gemeentelijke financiers) om deze taken uit te voeren reeds op korte termijn kunnen ondermijnen.’
In de beleidsnota worden daarom verschillende voorstellen met betrekking tot de financiering gedaan. Voor het landelijke IBL-verkeer wordt een tarifering per levering en een clearinghousefunctie voorgesteld met als doel de netto-leveranciers financieel te compenseren voor de door hen verrichtte handelingen én tegelijkertijd eventueel ‘free rider’ gedrag van OB’s wat betreft collectievorming te voorkomen. Een vergelijkbare financiële compensatie voor de netto-leveranciers binnen de provincie wordt in de aandacht van de provinciale overlegstructuren aanbevolen, opdat ook het provinciale IBL (veel belangrijker en omvangrijker dan het landelijk IBL) op een robuuste financieringsgrondslag berust. Uitgangspunt is dat de financiële drempel voor de eindgebruiker laag blijft. Het beheer van het clearinghouse ligt bij de SPN. Realisering van de vernieuwde IBL-voorziening en het clearinghouse wordt begin 2019 verwacht.

Met betrekking tot de metadatering stelt de nota: ‘De kosten voor de metadatering van KennisPlustitels komen voor rekening van de betreffende bibliotheken, terwijl andere metadata worden gefinancierd door het (historisch gegroeide) omslagstelsel van NBD Biblion. Een herbezinning hierop is op zijn plaats, omdat de metadata immers de grondslag vormen voor de NBC+ - het discovery systeem voor alle OB’s.’
Waar het gaat om collectievorming wijst de nota op de belangrijke provinciale functie van de KennisPluscollectie. De provinciale verantwoordelijkheid wordt echter door slecht enkele provincies opgepakt en wordt daarom in de nota opnieuw onder de aandacht van de provincies gebracht. Met betrekking tot de invulling van de landelijke taken op het gebied van de KennisPluscollectie wordt in de nota gesteld dat die kunnen worden geschat op ruim 300.000 euro. ‘Deze invulling zal worden herzien in een op korte termijn op te zetten project, waarbij afstemming tussen digitale en de fysieke componenten en een optimale basering op de lokale en regionale/provinciale behoeften belangrijke elementen zijn. De kosten van de landelijke taken op dit gebied zullen op basis van de resultaten van dit project veranderen, maar naar verwachting niet verdwijnen. Ook hier geldt dat een perspectief op landelijke financiering hiervan cruciaal is,’ aldus de nota.
De nota wijst verder op de wenselijkheid van een R&D-budget om de doorontwikkeling en innovatie van KennisPlusfuncties op landelijke schaal mogelijk te maken.

Tenslotte wordt in de nota vastgesteld dat onder invloed van dalende uitleencijfers en verschuivende budgetten fysieke bovenlokale, ‘long tail-achtige’ collecties (provinciaal en landelijk) en digitale landelijke collecties een steeds belangrijker plaats zullen gaan innemen in het OB-stelsel. ‘De digitale vorm voor deze “long tail-achtige” collecties heeft daarbij de voorkeur. Dit zal de druk op het aanschafbudget voor de digitale collectie doen toenemen. Echter, een digitale oplossing voor de "long tail-achtige" bovenlokale collecties zal o.m. vanwege rechtenkwesties niet altijd mogelijk blijken. In geval van fysieke bovenlokale collecties en de dienstverlening daaromheen is een robuuste financiering daarvoor noodzakelijk. Een variant op het bestaande omslagstelsel rond de aanschaf-informatie en metadatering lijkt daarbij een goede mogelijkheid. Dit laatste betekent eveneens dat er een organisatievorm nodig is, waarin de OB’s meebeslissen, en die e.e.a. met betrekking tot de fysieke collecties aanstuurt.’

Muziekweb
In de nota wordt ook gewezen op de rol van Muziekweb, waarbij er op wordt gewezen dat de vraag naar fysieke muziekdragers sterk dalend is, waardoor lokale collecties worden ingekrompen of afgestoten, met als gevolg dat de Muziekwebcollectie steeds meer een eerstelijnscollectie wordt. In de nota worden enkele voorstellen gedaan om de vraag naar fysieke muziekdragers te stimuleren (verhogen van de zichtbaarheid van Muziekweb en verlagen van tariefdrempels), maar de inschatting is toch dat op de lange termijn de rol van de fysieke muziekdrager lijkt te zijn uitgespeeld, terwijl alternatieve distributievormen binnen het OB-aanbod weinig toegevoegde waarde hebben ten opzichte van het publieksaanbod door internationale marktpartijen. De nota stelt met het oog daarop een geleidelijke transitie van Muziekweb voor in de richting van een erfgoedinstelling, hetgeen mogelijk consequenties heeft voor de organisatievorm en financieringsgrondslag van Muziekweb.

Uitvoeringsagenda
Op basis van het advies Nieuw Beleidskader PLUSfunctie is er een Uitvoeringsagenda nieuw beleidskader PLUSfunctie (pdf) opgesteld, waarin staat welke veranderingen er op welke wijze worden doorgevoerd. Anne Rube (SPN), Frans van Spaandonk (Stichting PLUSbibliotheken) en Margreet Teunissen (CDR) zijn bezig met het opstellen van een projectplan voor de inrichting van het werkverband en het clearinghouse.
In het najaar wordt er een informatiebijeenkomst georganiseerd voor de hele sector om de uitvoeringsagenda en de hieruit voortkomende projecten en veranderingen uitgebreid toe te lichten, zo meldt de KB.

Zie onder andere ook het gastblog ‘“Fietsen naar Praag” of de teloorgang van het bibliotheeknetwerk’ van Bert Breed met onder andere een reactie van Elma Lammers, als beleidsmedewerker Bibliotheekstelsel Koninklijke Bibliotheek onder andere verantwoordelijk voor het Gezamenlijk Collectieplan en de PLUSfunctie.

Tekst: Bart Janssen


Print deze pagina

Reacties op dit artikel (0)

Er zijn nog geen reacties.

Schrijf een reactie

Naam
E-mailadres (?)
Reactie
 

Peiling

Bibliothecarissen moeten zich activistischer opstellen
Eens
Oneens
In nummer 4 van Bibliotheekblad wordt in het gesprek met de Beste Bibliothecarissen de vraag opgeworpen of bibliothecarissen zich...
Lees meer en geef uw mening