HomeNieuwsNieuws uitgelichtBericht
voetnoot
Raad voor Cultuur bezorgd om afnemende fijnmazigheid bibliotheeknetwerk
Bart Janssen
20-04-2018
In zijn gisteren uitgebrachte advies De daad bij het woord constateert de Raad voor Cultuur dat de wereld van de letteren en bibliotheken springlevend is, maar toont zich daarbij ook bezorgd over het geringe leesplezier onder jongeren en de dalende leestijd, ook onder jongvolwassenen. Initiatieven voor leesbevordering zijn volgens de raad op dit moment onvoldoende effectief en zouden meer moeten aanhaken bij de cultuur van de niet-lezer. De raad vraagt ook aandacht voor de afnemende fijnmazigheid van het bibliotheeknetwerk. 
De Raad voor Cultuur heeft in het sectoradvies De daad bij het woord (pdf) op verzoek van de minister van OCW de belangrijkste ontwikkelingen binnen de letterensector op een rij gezet en geanalyseerd. De raad constateert dat na zeven magere jaren (2009 - 2015) - tijdens welke bibliotheeksubsidies terug liepen, uitgeverijen moesten herstructureren en boekhandels omvielen - de sector zich herstelt. De raad spreekt van nieuwe initiatieven die opbloeien in de uitgeverij, de boekhandel, de bibliotheek en op literaire podia, en ziet een grote mate van veerkracht. ‘Schrijvers die zich ontwikkelen tot performers. Boekhandels die succes hebben met nieuwe winkelconcepten. Het bibliotheekveld dat zichzelf opnieuw uitvindt door allianties aan te gaan met theaters en het onderwijs,’ aldus de raad. 
 
Maar tegelijkertijd baart het de raad zorgen dat er wordt geknaagd aan de wortels van de letterensector: het aantal lezers loopt gestaag terug, en deze trend lijkt vooralsnog niet gekeerd te worden, ondanks allerhande leesbevorderingsinitiatieven, die op dit moment onvoldoende effectief zijn. Die zouden, volgens de raad meer moeten aanhaken bij de cultuur van de niet-lezer.
‘De inbreng van een bevlogen docent of een enthousiaste bibliothecaris is hier cruciaal. De letterensector heeft behoefte aan dit soort ambassadeurs, die jonge mensen kunnen overtuigen van de schoonheid en kracht van de letteren, in al hun verschijningsvormen. Maar zowel in het onderwijs als in de bibliotheek zijn steeds minder tijd en middelen beschikbaar om lezen en literatuur de aandacht te geven die het verdient,’ zo stelt de raad. En ook de beschikbaarheid van de boeken zelf staat onder druk. Het netwerk van bibliotheken en boekhandels is de afgelopen jaren minder fijnmazig geworden.

De raad concludeert: ‘Zo groeit in Nederland de kloof tussen hooggeletterden en laaggeletterden. Dit is een zeer problematische ontwikkeling, die vraagt om een intensivering van het leesbevorderingsbeleid. (...) (Z)onder een gedegen aanpak van ontlezing en laaggeletterdheid zullen uitgeverijen en boekhandels, bibliotheken en festivals zich moeten heroriënteren op hun toekomst. De wil en het vermogen te lezen gaan aan alles vooraf.’

De raad constateert dat het droevig gesteld is met het leesplezier: in een recent onderzoek kwamen Nederlandse 15-jarigen wat dat betreft in een lijst van 65 landen op de laatste plaats uit. Het vergroten van het leesplezier onder jongeren moet dus speerpunt worden in het beleid, maar de centrale regie in het leesbevorderingsbeleid wordt volgens de raad gemist. Stichting Lezen, de KB en het Letterenfonds zijn hiervoor in de ogen van de raad de aangewezen partners. ‘We denken dat een geïntegreerd beleid op het gebied van letteren, leesbevordering en onderwijs welkom zou zijn. Het Nederlandse letterenveld heeft een mooie traditie van collectiviteit. De Leescoalitie is hier een voorbeeld van. Aan dit samenwerkingsverband zouden het Letterenfonds, de KBb, de Auteursbond en andere organisaties die belang hebben bij leesbevordering moeten worden toegevoegd. Ook het onderwijs zou actief betrokken moeten worden. Een intensievere samenwerking tussen betrokken partijen, onder regie van Stichting Lezen, de KB en het Letterenfonds, zou een oplossing kunnen zijn voor de geconstateerde lacunes.’ De raad noemt dit onderwerp dermate belangrijk dat nader onderzoek gewenst is en geeft aan in een separaat advies over de problematiek te zullen adviseren.

De raad stelt met betrekking tot bibliotheken: ‘Bibliotheken hebben moeite zich te handhaven, vooral in dunbevolkte gebieden. De ‘aanrijtijd’ is in veel gemeenten toegenomen. De raad roept gemeenten en provincies op om te zorgen voor een hoogwaardige bibliotheekvoorziening met een palet aan functies op het gebied van onder meer ‘lezen en literatuur’, ‘ontwikkeling en educatie’ en ‘ontmoeting en debat’. Veel bibliotheken missen expertise, personeel en geld om hieraan invulling te geven. Een goed ingerichte bibliotheek is een basisvoorwaarde voor de ontwikkeling en het behoud van geletterdheid.’

De raad stelt vast dat bibliotheken steeds meer ‘publieke huiskamers’ worden. Door deze en andere vernieuwingen is de drempel van de bibliotheken onmiskenbaar verlaagd, waarbij het in het bijzonder verheugend is te zien dat bibliotheken meer en meer jongeren met een cultureel diverse achtergrond trekken. Maar tegelijkertijd hebben bezuinigingen het bibliotheekwerk hard geraakt, waardoor de fijnmazigheid van het netwerk onder druk is komen te staan, aldus de raad. Er zijn weliswaar afhaalpunten en zelfbedieningsbibliotheken bij gekomen, maar het aantal plekken waar burgers met hun vragen terecht kunnen bij gekwalificeerd personeel is schaarser geworden. De raad constateert onder andere dat bezuinigingen hebben gezorgd voor een flinke daling van het aantal bibliotheekvestigingen en een grote afname van het aantal bibliotheekwerknemers, van 7870 in 2012 naar 6639 (4076 fte) in 2016. De raad spreekt van een ‘gevaarlijke paradox’: ‘Aan de ene kant zijn de opleidingen voor bibliothecaris (...) op de verschillende onderwijsniveaus de afgelopen jaren steeds kleiner geworden en geïntegreerd in bredere opleidingen op het gebied van informatiemanagement en informatietechnologie. Aan de andere kant zijn de taken van bibliothecarissen door de nieuwe Bibliotheekwet juist uitgebreid en complexer geworden. In de nabije toekomst zal er een toenemende behoefte ontstaan aan hoogopgeleide informatieprofessionals, ook buiten de bibliotheeksector.’
 
De raad vraagt met name aandacht voor de rol van de provincies: ‘We zijn van mening dat bibliotheken een sleutelpositie innemen in de samenleving. Een goed functionerende bibliotheek dient net zo vanzelfsprekend te zijn als een goed functionerende ambulancedienst. (...) Omdat de bibliotheken onder de gemeentelijke verantwoordelijkheid vallen, zien we grote regionale verschillen in de budgetten. (...) Dit heeft vanzelfsprekend grote gevolgen voor omvang, uitrusting en professionaliteit van de bibliotheken in die gemeenten. (...) Het lijkt ons van belang dat dergelijke verschillen zoveel mogelijk worden weggenomen. De provincies kunnen gemeenten een helpende hand bieden. In Drenthe hebben we gezien dat Provinciale Staten de gevolgen van de herverdeling van de beschikbare middelen voor de kleinere gemeenten hebben gecompenseerd. Laten andere provincies hieraan een voorbeeld nemen.’

Specifiek met betrekking tot bibliotheken vermeldt de raad in zijn advies met name de volgende aanbevelingen:
  • De verschillen tussen gemeenten op het gebied van de bestrijding van laaggeletterdheid en de zorg voor de bibliotheek zijn schrijnend. Compenseer gemeenten die sterk hebben moeten bezuinigen op het lokale bibliotheekwerk.
  • De raad roept gemeenten en de bibliotheekbranche op de ontprofessionalisering van bibliothecarissen te stoppen. Zorg voor een erkende landelijke opleiding op hbo of wo-niveau of goede gespecialiseerde cursussen. De KB dient dit proces te begeleiden in het kader van haar stelseltaken.
  • Leesconsulenten zijn dé leesambassadeurs binnen de muren van de school. Er bestaan diverse trainingen om bibliothecarissen om te vormen tot consulenten. Maak het bibliotheken makkelijker hun personeel voor die cursussen vrij te maken.
Enkele andere aanbevelingen:
  • We constateren dat sommige leesbevorderingsactiviteiten doeltreffender op elkaar kunnen worden afgestemd. Daarom bepleiten we een geïntegreerd letterenbeleid, waarbij Letterenfonds en Stichting Lezen in nauwe samenwerking in gesprek gaan met de partijen die actief zijn in het letterenveld. De Leescoalitie kan hiervoor als basis dienen.
  • Digitaliseer het literair erfgoed uit de twintigste eeuw en maak dit online beschikbaar, met het oog op het behoud van onze nationale cultuur en identiteit.
  • Leenrecht is in de wet opgenomen om het belang van de auteurs te dienen, wat ook het algemeen belang is. Een eerlijke afdracht van leenrechtvergoedingen via de Bibliotheek op School is van het grootste belang.
  • Met de culturele diversiteit binnen de sector is het nog bedroevend gesteld. Dat begint met de diversiteit van het eigen personeelsbestand. De sector mag hier actiever werk van maken, met een beroep op de Code Culturele Diversiteit.
  • Haal spoken word-artiesten binnen bij uitgeverijen, zet ze op podia, nodig ze uit in bibliotheken, boekhandels en op scholen. Op die manier wordt het genre stevig verankerd binnen de letterensector.
De raad sluit zijn advies af met vier hoofdaanbevelingen:
1. Investeer in lees­ en literatuuronderwijs en de bestrijding van laaggeletterdheid. 
De raad wijst in dit verband op de belangrijke rol van Kunst van Lezen en de Bibliotheek op school (dBos), maar voegt er aan toe dat dBos op bepaalde onderdelen nog niet optimaal functioneert. ‘Op dit moment achten wij de rol van de leesconsulent in het kader van de BoS bijvoorbeeld nog te mager, ook in vergelijking met de praktijk in de Angelsaksische landen. Daarnaast zien we dat er grote regionale verschillen zijn in de wijze waarop bibliotheken invulling geven aan de BoS, en aan andere activiteiten ter bestrijding van ontlezing en laaggeletterdheid. Dit betekent dat niet iedereen in gelijke mate toegang heeft tot kennis en informatie. Meer middelen voor een effectieve landelijke uitrol van de BoS zouden die verschillen kunnen wegnemen.'
2. Bevorder de pluriformiteit en inclusiviteit van de letteren.
3. Zorg dat iedere Nederlander onbelemmerd toegang heeft tot de culturele producten van de letterensector.
De raad toont zich bezorgd over de afnemende fijnmazigheid van het netwerk van boekhandels en bibliotheken en stelt daar onder andere over: ‘De “aanrijtijd” tot boekhandels en bibliotheken zou nergens in Nederland groter mogen zijn dan de aanrijtijd tot een bakker of supermarkt. Kennis, informatie en de schone letteren vormen net zo goed een eerste levensbehoefte: voedsel voor de geest. Cruciaal is dus het in stand houden van een fijnmazig netwerk van boekhandels en bibliotheken. (...) [We zien] een toenemend aantal gemeenten zonder bibliotheekvoorziening, in de zin van de Bibliotheekwet. Voor een deel is dit het gevolg van bezuinigingen, die in sommige gemeenten hebben geleid tot een verschraling van het cultuuraanbod. De raad roept gemeenten op hun verantwoordelijkheid te nemen en zorg te dragen voor een bibliotheek met een breed en kwalitatief hoogwaardig boekenaanbod, zodat de witte vlekken in het bibliotheeklandschap worden teruggedrongen. (...) We krijgen signalen dat de functies in de Bibliotheekwet niet overal naar behoren worden ingevuld. We beseffen dat de invulling een zoektocht is, gezien de schaalverschillen tussen de diverse gemeenten. Maar als er geen eenduidig beleid ontwikkeld en uitgevoerd wordt, voorzien wij een uitholling van de functies van de openbare bibliotheek. Daarom moet er bij de evaluatie van de Bibliotheekwet in
2019 door het Rijk speciale aandacht uitgaan naar de wijze waarop bibliotheken invulling geven aan de functies, zowel op het niveau van de organisaties als op dat van de afzonderlijke vestigingen binnen die organisaties.’
 
De raad is ook bezorgd over de positie van de bibliothecaris: ‘Idealiter is hij of zij een duizendpoot die lezers adviseert, niet-lezers motiveert, NT1, NT2 en digitale vaardigheden doceert en literaire avonden organiseert en modereert. Op dit moment is het niet duidelijk welke partij verantwoordelijk is voor de sturing op kwaliteit van de opleidingen. Mede daardoor hebben opleidingen op hbo- en wo-niveau kunnen verwateren en is een wildgroei van kortdurende cursussen en opleidingen ontstaan.’ Aansluitend hierbij geeft de raad twee aanbevelingen:
  • Voor het Rijk de aanbeveling om in overleg te treden met VOB en KB en te zorgen dat helder wordt wie binnen de sector verantwoordelijk is voor de initiële opleiding en bijscholing van bibliothecarissen en de deskundigheidsbevordering van zij-instromers. Zie toe op spreiding en kwaliteit van (met name de hogere) opleidingen, in overleg met hbo- en wo-instellingen.
  • Zorg in VOB-verband, in samenspraak met gemeenten en de KB, voor een erkende bibliothecarissenopleiding op hbo- of wo-niveau, of voor een overzichtelijk aanbod van erkende, gespecialiseerde cursussen.
4. Creëer optimale voorwaarden voor een eerlijke auteurshonorering
Met name de opbrengsten van de Bibliotheek op school geven nog te vaak aanleiding tot discussie, terwijl ook de honorering van auteurs uit abonnementsmodellen en de uitlening van e-books vaak ten onrechte achterwege blijft, zo stelt de raad, die het ministerie van OCW oproept in dit dossier stevig de regie te nemen en een periodiek overleg in het leven te roepen tussen de betrokken partijen (Auteursbond, GAU, Stichting Leenrecht, VOB en KB) om duidelijkheid te scheppen over auteurshonoraria.

Het volledige rapport van de Raad voor Cultuur is ook te lezen op deze website.

Tekst: Bart Janssen


Print deze pagina

Reacties op dit artikel (0)

Er zijn nog geen reacties.

Schrijf een reactie

Naam
E-mailadres (?)
Reactie
 

Gerelateerde informatie

Peiling

Bibliothecarissen moeten zich activistischer opstellen
Eens
Oneens
In nummer 4 van Bibliotheekblad wordt in het gesprek met de Beste Bibliothecarissen de vraag opgeworpen of bibliothecarissen zich...
Lees meer en geef uw mening