HomeNieuwsNieuwsoverzichtBericht
voetnoot
Minister Van Engelshoven reageert op Kamervragen over midterm review
19-03-2018
Minister Van Engelshoven (OCW) heeft op 16 maart schriftelijk gereageerd op vragen en opmerkingen van de fracties van CDA, D66, GroenLinks, SP en PvdA bij de midterm review, de tussentijds evaluatie van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen (Wsob). De minister gaat onder andere in op kwesties als de digitale bibliotheek, gemeenten zonder volwaardige bibliotheekvoorziening en de motie-Asscher, waarin de regering wordt verzocht zich in te spannen voor het behoud van bibliotheken in kleine gemeenten.
De genoemde fracties hadden de minister begin februari een aantal vragen voorgelegd (zie Inbreng schriftelijk overleg midterm review Wsob - pdf) naar aanleiding van de verschijning van de midterm review (pdf) op 22 december 2017. Minister Van Engelshoven heeft haar reactie op de vragen en opmerkingen op 16 maart 2018 naar de Kamer gestuurd.

De minister gaat in haar negen pagina’s tellende reactie (pdf) onder andere in op de vraag van D66 om ‘te reflecteren op het pleidooi van de VOB om de digitale bibliotheek een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de openbare bibliotheken en Koninklijke Bibliotheek te maken, zodat snelle en goede afstemming tussen fysieke en digitale dienstverlening bij de lokale bibliotheek gerealiseerd kan worden,’ refererend aan de wens van de bibliotheekbranche meer invloed te hebben op de aanschaf van e-content door de KB. Van Engelshoven reageert daarop door te stellen dat de KB haar verantwoordelijkheid voor het beheer en de ontwikkeling van de landelijke digitale openbare bibliotheek in het kader van de Wsob succesvol uitvoert. ‘De Nederlandse digitale openbare bibliotheek behoort met de omvang van de collectie, het aantal gebruikers en de gebruiksvriendelijkheid (‘one copy, multiple users’) tot de Europese voorhoede,’ aldus de minister, die er aan toevoegt dat de KB haar digitale taken uitvoert in goede afstemming en samenwerking met de bibliotheekbranche, onder andere middels een adviescommissie voordracht e-content en een inkoopcommissie digitale content. ‘Naar mijn idee is de invloed van de bibliotheekbranche op de inkoop van e-content op deze manier zowel in formele zin, als in praktische zin naar behoren geregeld. Indien daar bij partijen behoefte aan bestaat, kan het onderwerp aan bod komen in het bestuurlijk overleg met VNG, IPO en VOB,’ zo stelt Van Engelshoven.

Van Engelshoven gaat ook in op vragen van het CDA over het waarborgen van de continuïteit van burgerinitiatieven. ‘Burgerinitiatieven kunnen helpen om lacunes in het bibliotheeknetwerk te voorkomen en het bereik van de voorziening te vergroten. De besproken casussen van burgerinitiatieven in de midterm review laten zien dat een burgerinitiatief op verschillende manieren vorm kan krijgen. Voor het niveau en de duurzaamheid van de dienstverlening zijn de initiatieven gebaat bij de ondersteuning vanuit het openbare bibliotheeknetwerk,’ aldus de minister, die verwijst naar een actieplan voor de versterking van de lokale democratie waarmee de minister van BZK bezig is en dat handreikingen voor gemeenten en burgerinitiatieven zal bieden die ook van toepassing zijn op burgerinitiatieven voor bibliotheekvoorzieningen.

De minister gaat verder in op D66-vragen over de sterke vergrijzing van het personeel in de bibliotheekbranche en de grote uitstroom die daardoor te verwachten is. Het aantal medewerkers is geslonken van circa 9000 personen in 2010 naar circa 6600 in 2016, specifieke vakopleidingen zijn verdwenen en de nieuwe activiteiten van de bibliotheken vragen nieuwe competenties. De minister stelt dat de primaire verantwoordelijkheid voor dit onderwerp bij de werkgevers en de vakbonden ligt. ‘Het onderwerp heeft de aandacht van de branche en er zijn initiatieven vanuit de medewerkers zelf, zoals het jonge bibliothecarissen netwerk. De KB kan hieraan bijdragen vanuit haar landelijke netwerktaken,’ aldus de minister.

Naar aanleiding van SP-vragen over de invoering van een nationale bibliotheekpas zegt de minister: ‘De technische randvoorwaarden zijn geregeld voor bibliotheken die werken met de twee meest gebruikte bibliotheeksystemen. Bibliotheken kunnen zelf besluiten of zij met de nationale bibliotheekpas willen werken. Circa 90% van de bibliotheken doet er op dit moment aan mee.’

In antwoord op de vraag van D66 en GroenLinks over hoe zij denkt de samenwerking tussen bibliotheken en de KB te verbeteren, zegt de minister: ‘De KB vervult deze rol sinds 2015 en heeft hiervoor verschillende vormen van overleg en afstemming met de branche ingericht. Het is mijn ervaring dat partijen elkaar steeds beter weten te vinden. Belangrijke recente resultaten van deze samenwerking zijn o.a. het gezamenlijk collectieplan, de gezamenlijke innovatie-agenda 2016-2018, de actie-agenda 2017-2018 en het nationale programma “Bibliotheek en basisvaardigheden”.’ 

Leden van de fracties van het CDA en van GroenLinks vroegen de minister naar een oordeel over het feit dat van de 390 gemeenten (eind 2016) er 16 zijn zonder volwaardige openbare bibliotheekvoorziening in de zin van de Wsob en vroegen naar mogelijke instrumenten van de minister ten opzichte van deze gemeenten. Van Engelshoven zegt daarover in haar reactie van 16 maart: ‘Zoals in de midterm review uiteengezet, komen bij dit onderwerp twee principes van de Wsob bij elkaar. Het inhoudelijke principe dat iedere inwoner van Nederland toegang moet hebben tot de fysieke en digitale openbare bibliotheek en het bestuurlijke principe dat de gemeenten verantwoordelijk zijn voor het lokale voorzieningenniveau en daar eigen keuzes in kunnen maken. Het samenspel tussen deze principes heeft als resultaat dat er in Nederland 16 gemeenten zijn zonder volwaardige bibliotheekvoorziening in de zin van de Wsob. Daarbij moet worden opgemerkt dat in 12 van deze gemeenten wel een beperkte bibliotheekvoorziening beschikbaar is of de toegang tot de bibliotheek in een buurgemeente is geregeld. Per saldo zijn er vier gemeenten zonder enige vorm van bibliotheekwerk. De situatie in deze vier gemeenten is de uitkomst van het lokale democratische proces, waarbij de gemeenteraad besluit op een voorstel van het college van B&W en inwoners de gelegenheid hebben hun reactie op een voorgenomen besluit te geven. In de interbestuurlijke verhoudingen kan de Minister van OCW daarin niet interfereren. Wel schrijft de Wsob voor dat gemeenten bij een voornemen de bibliotheek te sluiten of de dienstverlening ingrijpend te wijzigen over de consequenties daarvan moeten overleggen met belanghebbenden en met de buurgemeenten. Dit om bij een dergelijk besluit alle argumenten en omstandigheden mee te kunnen wegen. Los van de formele en bestuurlijke argumenten zal vooral de maatschappelijke meerwaarde van de bibliotheek de doorslag moeten geven bij de lokale besluitvorming. In het onderzoeksprogramma "Meten maatschappelijke opbrengst" werken de KB en de bibliotheekbranche aan het meetbaar en inzichtelijk maken van de maatschappelijke effecten van bibliotheekdiensten. Dat kan behulpzaam zijn bij gemeentelijke besluitvorming.’

Ten slotte gaat Van Engelshoven nog vrij uitgebreid in op de motie-Asscher, via welke de Tweede Kamer de regering verzocht zich in te spannen voor het behoud van bibliotheken in kleine gemeenten en een plan op te stellen met de ambitie iedereen toegang tot de openbare bibliotheek te geven. De minister wijst er in haar antwoord op dat Nederland beschikt over 1200 ‘bibliotheeklocaties’ (inbegrepen zijn hierbij o.a. miniservicepunten, afhaalpunten, onbemande zelfbedieningsbibliotheken en bibliobushaltes) en daarmee over een fijnmazig netwerk van bibliotheekvoorzieningen. Daarmee laat het aantal bibliotheekvestigingen 'in de klassieke zin van het woord' over een reeks van jaren weliswaar een dalende ontwikkeling zien (van 1674 in 2012 naar 1167 in 2016), maar inmiddels zijn er ook bijna 2400 locaties van de Bibliotheek op school bij gekomen, zo merkt de minister op. Zij voegt daaraan toe: ‘Ontwikkelingen in aantallen vestigingen en filialen zeggen niet alles over het gebruik en het bereik van de openbare bibliotheek. Dat neemt niet weg dat de fysieke aanwezigheid en nabijheid van de openbare bibliotheek een voorwaarde is voor een relevante rol in de lokale gemeenschap. Er zijn regio’s waar het voorzieningenniveau dun is geworden en dat verdient de aandacht. Het kabinet voert daar in algemene zin beleid op via de decentralisatie-uitkering bevolkingsdaling gemeentefonds, die in de periode 2016-2020 wordt toegekend aan negen krimpregio’s. De regio’s kunnen zelf bepalen waar zij deze uitkering voor willen inzetten. Bijvoorbeeld voor het in standhouden van lokale voorzieningen zoals de openbare bibliotheek.’ Van Engelshoven verwijst in dit verband specifiek naar Drenthe, dat zij een interessant voorbeeld noemt. ‘Deze provincie hecht veel belang aan een dekkend netwerk aan bibliotheekvoorzieningen, zowel in de stedelijke als in de landelijke gebieden, en heeft daarom een regeling opgesteld voor de financiële ondersteuning van gemeenten die zich voor een langere periode committeren aan de openbare bibliotheek. Tegelijkertijd wil de provincie met betrokken partners (gemeenten, de provinciale ondersteuningsorganisatie, lokale bibliotheken en de KB) een visie ontwikkelen op toekomstbestendige bibliotheekvoorzieningen in dunbevolkte gebieden ter versterking van de leefbaarheid. Interessant aan dit voorbeeld is dat bestuurlijke partijen (provincie en gemeenten) met elkaar werken aan een gemeenschappelijk doel zonder dat de ene partij de rol van de ander overneem.’ Van Engelshoven stelt in bestuurlijk overleg met VNG, IPO en de bibliotheekbranche te gaan toetsen of het voorbeeld van Drenthe ook voor andere provincies bruikbaar is, daarnaast wil ze eventuele andere goede voorbeelden inventariseren en onderzoeken wat nodig is voor een bredere toepassing van goede voorbeelden. Het is in dit stadium volgens de minister nog niet mogelijk vast te stellen of in aanvulling op de middelen van de decentralisatie-uitkering bevolkingsdaling en de provinciale middelen voor ondersteuning van het bibliotheekwerk extra middelen nodig zijn. Het bestuurlijk overleg zal voor de zomer plaatsvinden en de Kamer zal te zijner tijd worden geïnformeerd over de uitkomsten.


Print deze pagina

Reacties op dit artikel (0)

Er zijn nog geen reacties.

Schrijf een reactie

Naam
E-mailadres (?)
Reactie
 

Gerelateerde informatie