HomeNieuwsNieuwsoverzichtBericht
voetnoot
POB verlaagt opbouwpercentage; FNV Publiek Belang vindt het jammer
03-01-2017
Het bestuur van het Pensioenfonds Openbare Bibliotheken (POB) heeft besloten het opbouwpercentage te verlagen van 1,875% naar 1,52%. ‘De premie die door de werkgeversorganisatie VOB en de vakbonden (de sociale partners) is afgesproken om de pensioenregeling uit te voeren, is niet meer toereikend. Dat komt vooral door de lage rente. 
Na overleg tussen de sociale partners en het POB over alle mogelijke maatregelen heeft het bestuur van het fonds besloten dat het verlagen van het opbouwpercentage de meest evenwichtige oplossing is. De premie is immers bedoeld om de pensioenopbouw voor de toekomst te betalen,’ zo meldt het POB-bestuur op zijn website.

Sociale partners tegen
Zoals eerder werd gemeld, zijn de vakbonden en de Vereniging van Openbare Bibliotheken (VOB) tegen de genomen maatregel. Zij menen dat het probleem van de lage rente met andere maatregelen had kunnen worden aangepakt. Het belangrijkste onderdeel daarvan was om het partnerpensioen in 2017 niet op kapitaalbasis, maar op risicobasis te verzekeren. Volgens hen zou die aanpassing, in combinatie met enkele verzekeringstechnische aanpassingen, het mogelijk hebben gemaakt de eerder gemaakte afspraken over de hoogte van de premie en het opbouwpercentage voor 2017 te handhaven.
In het POB-bestuur zijn werkgevers, werknemers en pensioengerechtigden vertegenwoordigd, maar formeel zonder last of ruggespraak.

Voorbeeld
Het POB-bestuur geeft in een voorbeeld op basis van een pensioengevend salaris van 35.000 euro aan wat de maatregel betekent: een verminderde pensioenopbouw van bruto 75 euro per jaar. Over de toekomst na 2017 meldt het POB-bestuur: ‘In 2017 gaat het POB opnieuw in overleg met de sociale partners om tot overeenstemming te komen over de pensioenregeling en de premie naar de toekomst toe. Bij dat overleg moet rekening worden gehouden met nieuwe wettelijke voorschriften, zoals het verhogen van de pensioenleeftijd naar 68 jaar. We houden u zo goed mogelijk op de hoogte.’ De vragen die het meest verwacht worden, zijn al beantwoord. (Zie ook de brief (pdf) van het POB-bestuur d.d. 30 december 2016.)

Niet voldoende
In een uitvoerig commentaar op de brief van FNV Publiek Belang en de VOB zegt Margreet Teunissen, voorzitter van het POB-bestuur, desgevraagd dat de door de sociale partners voorgestelde maatregelen wel iets zouden hebben geholpen maar niet voldoende.
Zij meldt: ‘We doen het als POB pensioenfonds in vergelijking met andere fondsen best heel goed. Dat heeft ook te maken met onze deelnemers, waarvan uit het risicobereidheidsonderzoek in 2014 (extern uitgevoerd) is gebleken dat zij overwegend risico-avers zijn. Niet verwonderlijk gezien de populatie met ca. 75% vrouwen, waarvan ook nog een groot deel in deeltijd werkt. Het bestuur van het POB houdt daar dus terdege rekening mee.
In diezelfde periode speelde de discussie tussen nominaal en reëel beleid, waarbij de grote pensioenfondsen zoals ABP en PfZW ‘kozen’ voor een reëel beleid (meer risico nemen, met grotere kans op winst, maar ook grotere kans op verlies en kortingen) en middelgrote en kleinere fondsen vaak ‘kozen’ voor nominaal (minder kans op winst, maar ook minder kans op verlies en dus ook minder kans op kortingen van pensioen). Die twee keuzes gingen niet door, er kwam een nieuw financieel toetsingskader (FTK). En de crisis hield aan, veel langer dan iedereen had verwacht en/of gehoopt. Dus zakten de grote fondsen verder weg (met kans op korting) en bleven de fondsen die hadden gekozen voor een minder risicovol en meer nominaal beleid (met risico afdekking) beter overeind. Waaronder het POB, waarbij de dekkingsgraad nog altijd boven de 100% is, al zitten we net in herstel.’

Overeenkomst
Ze voegt er aan toe: ‘Vorig jaar was er voor de eerste keer de situatie dat we met een opdrachtaanvaardingsovereenkomst, een overeenkomst tussen sociale partners en het bestuur van het POB, hebben gewerkt. Daarin zijn afspraken gemaakt voor een periode van vier jaar. Gebaseerd op uitgangspunten voor beide partijen, een peildatum voor tussentijds overleg en datum voor berekeningen en besluitvorming en een aantal voorwaarden waaraan moet worden voldaan wil de overeenkomst de volle vier jaar kunnen blijven op eenzelfde niveau. Belangrijk voor de sociale partners was bijvoorbeeld dat de premie zo stabiel mogelijk zou zijn en uitonderhandeld is toen dat die 19,7% zou zijn. Liefst dus voor vier jaar.
Pensioenen vallen onder verschillende wettelijke regimes en een daarvan is dat de premie kostendekkend dient te zijn. Wettelijk. En dat er sprake moet zijn van evenwichtigheid tussen actieven, gepensioneerden en slapers. Evenwichtige belangenafweging wordt dat genoemd. Verder dat er een prudent (beleggings)beleid wordt gevoerd (wordt elk jaar getoetst door de Nederlandsche Bank en de accountant). We dienen dit ook correct en met de juiste verwachtingen aan onze deelnemers te communiceren, conform regelgeving van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en uiteraard ons eigen communicatiebeleid en -plan. Dus welke beslissing er ook valt, communicatie vraagt uiterste zorgvuldigheid.’

Hoop
Ze zegt verder: “Eén van de punten waar vorig jaar een afspraak over is gemaakt is de premiedekkingsgraad. Die was toen 88%. In feite ook al te laag voor de kosten van het in te kopen pensioen (want die zou toen >100% moeten zijn), maar gegeven de situatie en omdat wij als POB begrip hadden voor de situatie dat de sociale partners toen niet aan de regeling wilden komen (versoberen) vonden wij dat als absolute ondergrens nog net acceptabel.
In de hoop dat de rente weer wat omhoog zou gaan (lage rente en langere levensverwachting zijn de grootste oorzaken) en omdat we toen met 88% dus boven de afgesproken 85% zaten, leek ons dat te verantwoorden. Ondanks dat je pensioenaanspraken dan in feite onder de kostprijs inkoopt en dus teert op het pensioenvermogen, waardoor pensioenen simpel gezegd als het ware kunnen verwateren.
Inmiddels is, na de peildatum van 30 september 2016, vrijwel het hele jaar 2016 de rente verder gedaald, met uitzondering van de laatste maand. Op 30 september was de premiedekkingsgraad gezakt tot 71%, dus ruim onder de overeengekomen minimumgrens van 85% en dus ver onder de feitelijke benodigde inkoopprijs voor inkoop pensioenrechten. Er moet minimaal 14% overbrugd worden voor 2017. Als de premiedekkingsgraad lager ligt dan 100%, resulteert nieuwe pensioeninkoop dus tot een sterker negatief effect op de dekkingsgraad van de pensioenen. Daarna wordt in september 2017 wederom gepeild en is het afhankelijk van de verdere ontwikkelingen (met name de rente) hoe het er dan voor staat en wat in 2018 gebeurt.’

Tal van berekeningen
Teunissen besluit: ‘Dat betekent dus dat er nu iets gedaan MOEST worden en daarom zijn sociale partners en POB om tafel gegaan. Er zijn tal van berekeningen gemaakt (die vorig jaar ook al allemaal verkend zijn geweest, maar bij een iets rooskleuriger situatie).
Er zijn eigenlijk drie min of meer acceptabele mogelijkheden: de premie moet omhoog, de opbouw moet naar beneden, of de pensioenregeling moet versoberd worden. Of natuurlijk een combinatie van twee of drie van de genoemde punten.
Het leek er naar uit te zien dat we het eens zouden worden over een combinatie van twee, maar dat bleek voor de sociale partners toch een brug te ver. Ook zou pas in januari/februari 2017 achterbanoverleg kunnen plaatsvinden, terwijl voor 2017 een wijziging per 1 januari 2017 doorgevoerd moest zijn. Daarvoor was de peildatum 30 september en de besluitdatum 1 december. Er ontstond dus een patstelling.
Veel pensioenfondsen melden gewoon dat de premie met x% omhoog gaat. Daar hebben wij, uit respect voor de sector en dus voor sociale partners, niet voor gekozen, omdat we weten dat dit een heel zwaarwegend punt is.
Wat waren dan de opties? Als POB hebben we de verplichting, niet alleen bestuurlijk, volgens reglementen, maar ook voortvloeiend uit diverse wetten, om te handelen in het belang van de deelnemers, waarbij de evenwichtige belangenafweging in acht genomen dient te worden.
Daartoe is in de bestaande pensioenregeling van het POB zoals die is vastgesteld, een “gesplitste kortingsregeling” opgenomen (die ook staat in het uitvoeringsreglement en de opdrachtaanvaardingsovereenkomst tussen sociale partners en POB). De verwachte consequenties, zeker als het maar voor één jaar is, wat we natuurlijk allemaal hopen, zijn uiterst beperkt en veel minder groot dan een premieverhoging, die iedereen meteen in de portemonnee voelt. Bovendien is er weer een wettelijke maatregel op komst, namelijk de verhoging van de pensioenleeftijd naar 68 jaar per 2018. Daardoor zou het er voor 2018 positiever uit kunnen zien.’

De genoemde regeling (hoofdstuk V, artikel 3.1 pensioenreglement, pdf) luidt: ‘Als in enig kalenderjaar, de pensioenbijdrage naar het oordeel van het bestuur niet toereikend is ter financiering van de pensioenaanspraken van de deelnemers (…) kan het bestuur, gehoord de actuaris, de opbouw en de toekenning van aanspraken in dat jaar verlagen.’

‘Jammer’
Als commentaar op de genomen maatregel zegt Hanan Yagoubi van FNV Publiek Belang: ‘Erg jammer! Dit was niet nodig. Het bestuur had de voorstellen van de sociale partners in overweging moeten nemen. Dit is een maatregel die met name de actieven raakt. Er is dus geen sprake van een evenwichtige belangenafweging.’  


Print deze pagina

Reacties op dit artikel (0)

Er zijn nog geen reacties.

Schrijf een reactie

Naam
E-mailadres (?)
Reactie
 

Gerelateerde informatie