HomeNieuwsNieuwsoverzichtBericht
voetnoot
SIOB-rapportage Monitor bestrijding laaggeletterdheid verschenen
30-01-2014
Het Sectorinstituut Openbare Bibliotheken (SIOB) heeft recent de eindrapportage van de Monitor bestrijding laaggeletterdheid door bibliotheken uitgebracht. Uit de rapportage blijkt dat vooral de respons van de deelnemers laat zien hoe effectief de aanpak door bibliotheken kan zijn, zo stelt het SIOB.
Het Sectorinstituut voegt hieraan toe: 'Hoewel de verbeteringen van het taalniveau van de cursisten beperkt kunnen zijn, is het effect op het dagelijks leven van de deelnemers aanzienlijk. Zij leren niet alleen beter lezen en schrijven, maar worden zelfredzamer, leggen makkelijker contacten en ondervinden een grote toename in zelfvertrouwen en behoefte om door te leren.'

De door Kasperkovitz beleidsonderzoek en advies uitgevoerde rapportage is een vervolg op de tussenrapportage van juni 2013.  De eindrapportage bevat ook de ervaringen van 233 (laaggeletterde) deelnemers aan de activiteiten van bibliotheken, zo meldt het SIOB.

Het onderzoek maakt het aanbod van openbare bibliotheken voor laaggeletterden zichtbaar en meet het effect van de activiteiten en cursussen op de deelnemers.

Eind 2013 stond de monitor bijna anderhalf jaar open. In deze periode zijn 49 projecten uit 27 bibliotheken in de monitor ingevoerd. Ook hebben 48 groepsbegeleiders uit 16 verschillende bibliotheken een inschatting gemaakt van de effecten van het bibliotheekaanbod voor de laaggeletterde deelnemers. Tot slot hebben 233 deelnemers uit 11 pilotbibliotheken zelf aangegeven welke effecten zij van het aanbod van de bibliotheken ondervinden.

De rapportage maakt melding van enkele vaststellingen:
  • Uit de monitor blijkt dat bibliotheken een breed scala aan activiteiten ter bestrijding (of preventie) van laaggeletterdheid aanbieden. Deze activiteiten richten zich niet alleen op het verbeteren van algemene lees- en schrijfvaardigheden, maar ook op andere basisvaardigheden die laaggeletterde deelnemers helpen om beter te kunnen deelnemen aan de samenleving, zoals digitale vaardigheden, kennismaken met de Nederlandse samenleving (inburgering), sociale contacten (leren) leggen en behouden, telefoonvaardigheden, kennismaken met culturele en maatschappelijke activiteiten, en taal in het kader van werk (vinden en uitvoeren).
  • Bij de bestrijding van laaggeletterdheid werken bibliotheken samen met lokale partners. Deze samenwerkingspartners zijn zeer divers en laten goed zien dat het aanbod van bibliotheken gericht is op veel verschillende aspecten van de lokale samenleving. De meeste samenwerking vindt plaats met ROC’s (bij 55% van de projecten) en de gemeente (53%). In ruim een kwart van de projecten wordt ook samengewerkt met het UWV, de sociale werkvoorziening, het welzijnswerk en verschillende taalaanbieders.
  • Bibliotheken sluiten met hun aanbod voor laaggeletterden vaak aan bij gemeentelijke beleidsvraagstukken. Zij dragen onder andere bij aan de invulling van het participatiebeleid, sociaal-economisch beleid, achterstandsbeleid, re-integratie naar werk, toegang tot digitale diensten van de overheid. Het inspelen op het gemeentelijke beleid wordt steeds belangrijker, omdat bibliotheken door de gemeentelijke bezuinigingen steeds vaker moeten aantonen welke maatschappelijke meerwaarde zij hebben.
  • Bij ruim de helft van de projecten wordt het niveau van de deelnemers voorafgaand aan de activiteit of cursus gemeten en bij 37% na afronding daarvan. Deze metingen van het niveau worden door bibliotheken of één van de samenwerkingspartners uitgevoerd.
  •  Veel cursussen/activiteiten die bibliotheken ter bestrijding van laaggeletterdheid aanbieden hebben deelnemers met uiteenlopende achtergronden. 88% van de cursussen heeft allochtone deelnemers. Aan 48% van de cursussen nemen (ook) autochtone laaggeletterden deel. Bij 40% van de cursussen zitten werkzoekenden. Daarnaast heeft 35% van de cursussen ook nog andere deelnemers, zoals digibeten, ouderen, cliënten van een sociale werkplaats of deelnemers die vrijwilligerswerk willen gaan doen.
  • Meer dan 60% van de deelnemers lukt het na het deelnemen aan de cursus of activiteit van de bibliotheek beter om informatie te vinden en om boeken of tijdschriften te lezen. Ongeveer de helft van de deelnemers geeft aan nu beter het internet te kunnen gebruiken en nieuwe contacten te kunnen leggen. Ruim een derde van de deelnemers lukt het beter om activiteiten buitenshuis te ondernemen. En ongeveer een kwart van de deelnemers geeft aan baat te hebben van de cursus of activiteit bij het schrijven van brieven, het maken van afspraken met tandarts of dokter, het regelen van zaken met de gemeente en het zoeken van werk. Tot slot ervaart 17% van de deelnemers een verbetering bij het uitvoeren van hun werk. De rapportage voegt hieraan toe: 'De invloed op deze aspecten van het dagelijks leven blijkt aanzienlijk te verschillen per type cursus, waarbij soms onverwacht sterke effecten optreden van cursussen die niet specifiek voor een bepaald aspect bedoeld zijn.'
In de rapportage wordt met name Bibliotheek Lingewaard genoemd als voorbeeld van een bibliotheek die uitzonderlijke resultaten heeft behaald.

Verder wordt in de rapportage gesteld dat de breedste en sterkste effecten te zien zijn bij bibliotheekaanbod met de volgende kenmerken:
  • Bibliotheekactiviteiten met een brede opzet (gericht op veel verschillende aspecten van het dagelijks leven, zoals oefenen met telefoneren, museum bezoeken, winkelen e.d.).
  • Bibliotheekactiviteiten die gecombineerd worden met ROC-cursussen en die een hoge frequentie en intensieve begeleiding hebben.
'Verder valt op', zo stelt de rapportage, 'dat activiteiten die erop gericht zijn mensen te helpen om hun kinderen beter voor te kunnen lezen verrassend veel positieve neveneffecten hebben. Zij vervullen dus niet alleen een rol bij de preventie van laaggeletterdheid van de kinderen door leesbevordering, zij werken ook sterk door op de vaardigheden van de ouders (vaak moeders) om zich in de maatschappij te kunnen redden en om sociale contacten aan te kunnen gaan.'

Kasperkovitz beveelt bibliotheken op basis van deze vaststellingen aan om bij het aanbieden van activiteiten ter bestrijding van laaggeletterdheid aan de volgende aspecten aandacht te besteden:
  • Het oefenen en (na)bespreken van veel verschillende aspecten uit het dagelijks leven.
  • Samenwerking met taalaanbieders.
  • Een regelmatige frequentie (ook inloopactiviteiten laten positieve effecten zien, maar wekelijkse activiteiten hebben een veel groter bereik qua effecten).
  • Voldoende begeleiding (in grotere groepen meerdere begeleiders of kleine groepen met 1 begeleider).
  • Een sterke link met de vele leesbevorderingsactiviteiten die bibliotheken richting peuters en jonge kinderen aanbieden.
  • Dwarsverbanden tussen de verschillende cursussen die de bibliotheek op dit gebied aanbiedt, zoals bijvoorbeeld een link tussen cursussen voor inburgeraars en activiteiten op het gebied van taal & werk.
Verder verdient het aanbeveling om bij het opzetten van projecten ter bestrijding van laaggeletterdheid al in te bouwen dat er structureel gemeten wordt, welk effect dit heeft voor de deelnemers op het kunnen omgaan met zaken uit het dagelijkse leven, waardoor aan de subsidiegever getoond kan worden welke maatschappelijke meerwaarde de activiteiten van de bibliotheek hebben en om de mogelijkheid te hebben om met gerichte informatie na afloop van elke cursus het aanbod te verbeteren en nog beter af te stemmen op specifieke doelstellingen en op de doelgroep.

Voor het volledige rapport, zie hier (pdf).

In Bibliotheekblad nr 1, 2014 is een interview verschenen met Lourina de Voogd (die onlangs afscheid nam van het SIOB als senior adviseur 'Lezen, Leren, Informeren'), waarin zij uiteenzet waarom voor de bibliotheek een belangrijke taak is weggelegd bij de aanpak van laaggeletterdheid.


Print deze pagina

Reacties op dit artikel (0)

Er zijn nog geen reacties.

Schrijf een reactie

Naam
E-mailadres (?)
Reactie
 

Gerelateerde informatie