HomeRubriekenGastblogsBericht
voetnoot
My midterm review
Wim Keizer
17-10-2017
De Kwink Groep maakte in juli 2017 bekend van OCW de opdracht gekregen te hebben de door minister Bussemaker bij de behandeling van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen (Wsob) aangekondigde ‘midterm review’ te maken. Artikel 29 van de Wsob zegt dat de minister binnen vijf jaar na de inwerkingtreding een verslag over de doeltreffendheid en de effecten naar de Staten-Generaal zendt. Dat is dus in 2019. Daarnaast beloofde de minister de Kamer ook een halverwege-verslag (‘midterm review’). Die komt eind dit jaar en gaat dus over 2015, 2016 en een deel van 2017. 
My midterm review
De Kwink Groep meldde uit welke onderdelen het onderzoek bestaat. Op zich heb ik daar niks op tegen, maar ik vind het lijstje wel wat slap en heb nog een paar extra suggesties. Ook de inmiddels door enkele directeuren bekritiseerde visie van de Vereniging van Openbare Bibliotheken (VOB) op de wet vind ik nogal braaf en bovendien weinig concreet. Welke wetsartikelen moeten nu anders volgens de VOB? Zo scheidt de wet volgens de VOB de fysieke en de digitale bibliotheek als twee aparte zaken en zou deze op dat punt meer ruimte moeten bieden om de rol van de bibliotheek te versterken. Maar hoe dan?

Eerste vraag
De eerste belangrijke aanvullende onderzoeksvraag lijkt me, even uitgaande van de bestaande bemoeienis van drie bestuurslagen (zie ook verderop bij tweede vraag) en de bestaande wetsartikelen, of de aanwending van het OCW-geld via de Koninklijke Bibliotheek (KB) de best mogelijke manier is om landelijke subsidie op openbaar bibliotheekwerk in te zetten en daarmee de geïnformeerdheid van de burgers te bevorderen.
We hebben het (in 2017) over een bedrag van € 21,4 miljoen voor stelseltaken & digitale infrastructuur, 10,6 miljoen voor e-content (wordt in 2018 12,2 miljoen) en 11,27 miljoen voor leesgehandicapten. Samen 43,27 miljoen. Die laatste 11,27 miljoen lijkt me prima centraal besteed, dus zou ik vooral naar de 21,4 + 10,6 = 32 miljoen willen kijken.

Tweede vraag
De tweede belangrijke vraag lijkt me (nog steeds) of het met al die bestuurslagen en bijbehorende instellingen niet een beetje minder kan. Ik heb wel eens schertsend geschreven dat elk veertje, wieltje, radertje en chipje onmisbaar is voor het hele netwerk, maar zou het erg zijn als we het netwerk wat overzichtelijker maken? Zou het netwerk niet krachtiger kunnen met een wieltje minder? Zou een eenvoudiger stelsel de innovatie niet een beetje kunnen versnellen? Je kunt zeggen: maak er twee in plaats van drie bestuurslagen van, met gelijke reductie van het aantal instellingen en overlegvormen. Of: maak er één in plaats van drie van. Bij zo’n druktereductie zijn er zes nieuwe varianten die tegen elkaar afgewogen moeten worden, namelijk bibliotheekwerk onder verantwoordelijkheid van en bekostigd door: a. de gemeenten en de provincies, b. de gemeenten en het rijk, c. de provincies en het rijk, d. alleen de gemeenten, e. alleen de provincies of f. alleen het rijk.

Geen controle
Om met de eerste vraag te beginnen: is de aanwending van het OCW-geld via de KB, gegeven de huidige wet, de best mogelijke manier om openbaar bibliotheekwerk en daarmee geïnformeerdheid te bevorderen?
In artikel 9 van de wet staat dat de KB het netwerk ‘aanstuurt’. In een concept-versie stond daar ‘ondersteunt’. Ik denk dat als je iets wilt aansturen, dus ‘de regie wilt hebben’, je voldoende wettelijke middelen en/of voldoende geld nodig hebt. Maar in de wet is de decentrale situatie het uitgangspunt. Onvermijdelijk geeft dit spanningen. De KB kan erg haar best doen (en doet dat volgens mijn waarneming ook), maar heeft uiteindelijk nauwelijks machtsmiddelen ten aanzien van de lokale bibliotheken. Toen de nu al weer helemaal vergeten commissie-Gerritsen (de opvolger van de commissie-Cohen) in december 2016 voor iets meer pleitte dan vrijblijvende monitoring door de KB, maar ook sprak over ‘sturing’ en ‘controle op gemeenten’ (bij de presentatie viel zelfs het woord ‘inspectie’) bleek uit de reacties, ook van de KB zelf, dat niemand daar voor voelt. Maar ja, ik denk: als de wet wil dat de KB iets aanstuurt, regel het dan ook goed, zowel wettelijk als financieel. Of laat het woord aansturen anders vallen en maak er weer ondersteunen van.

Sagrada Familia
De KB heeft wel de macht de landelijke digitale openbare bibliotheek vorm te geven. Ten behoeve van een ‘dossier digitale bibliotheek’ in Bibliotheekblad 4/2017 heb ik geprobeerd er achter te komen wat er de afgelopen jaren op een aantal terreinen betreffende het in het KB-beleidsplan 2015-2018 genoemde streven ‘het complete informatieaanbod van alle publiek gefinancierde bibliotheken’ aan te bieden gebeurd is. Tevens hoe de stand anno 2017 is en wat er nog in hoeveel jaren moet gebeuren om ‘klaar’ te zijn. Ik kreeg sympathieke antwoorden, maar mijn overheersende indrukken, ook benoemd in het inleidende artikel, waren toch associaties met de Sagrada Familia: heel mooi allemaal, maar wanneer is er op dit gebied nou eens iets echt ‘klaar’?
Het lijkt er een beetje op dat de KB een extra pot met geld van OCW heeft gekregen (of, zoals oud-VOB-directeur Jan Ewout van der Putten het in mijn boek Twintig jaar bibliotheekvernieuwing plastisch uitdrukte: ‘er met de poet vandoor gegaan is’) en kansen ziet dat geld ten behoeve van het brede begrip ‘digitale bibliotheek’ op te maken zonder dat er duidelijke einddoelen of tussendoelen met planningsdata zijn geformuleerd. Iets als erfgoed digitaliseren - onderdeel van het genoemde streven - kan lang duren, er is altijd meer erfgoed dan subsidiegeld.

Synergie?
De overheveling van OCW-geld naar de KB zou synergie moeten betekenen tussen KB en openbare bibliotheken, een zogenaamde ‘win-win-situatie’, met het idee: de KB heeft mooie (erfgoed)collecties, maar weinig gebruikers; de openbare bibliotheek heeft veel gebruikers, maar die kennen de mooie KB-collecties niet. Ik vermoed echter dat in dit soort situaties de ene partij altijd meer wint dan de andere, of dat de een wint en de ander verliest. Wie heeft nu de meeste baat gehad bij de overheveling? Stijgen de relevante cijfers in het openbare bibliotheekwerk? Stijgen ze bij de KB?
De laatste CBS-cijfers (2016) voor de openbaar bibliotheek lieten weinig stijgingen en erg veel dalingen zien, zonder dat je kunt zeggen dat de stijgingen op de meest relevante aspecten betrekking hebben en de dalingen op de minst relevante.
De KB meldt in door Ebbinge gemaakte personeelsadvertenties ‘een omslag te hebben gemaakt van 17.000 pashouders naar een miljoenenbereik’. Een beetje ongespecificeerd, maar laten we zeggen dat het ‘miljoenenbereik’ de 3.722.000 leden van openbare bibliotheken betreft. Dat is een stijging van het bereik met ruim 21800%! Het gaat dus blijkbaar erg goed met de KB, hoewel niet duidelijk is wat ‘de omslag naar een miljoenenbereik’ aan daadwerkelijk meergebruik van KB-collecties heeft opgeleverd.

Leenrecht afkopen
Ik heb er twijfels over of het een goed idee zou zijn de OCW-gelden, even uitgaande van de bemoeienis van drie bestuurslagen (wat natuurlijk geen ijzeren wetmatigheid hoeft te zijn), op een andere wijze dan via de KB in te zetten, maar er is wel iets anders: zolang openbaar bibliotheekwerk nog primair gezien kan en mag worden als een werksoort die (meer) mensen met plezier aan het (boeken) lezen wil krijgen en houden, is de positie van auteurs een belangrijke factor. Zij zorgen voor dat nagestreefde leesplezier. Maar zij klagen over dalende cijfers en minder leenrechtopbrengsten, met name bij de jeugd. Het is al een oude, maar daarom niet minder belangrijke vraag: is het niet zinvol als OCW het leenrecht (met al z’n administratieve rompslomp) centraal bekostigt, gebaseerd op een aantal vast te stellen kengetallen? De vraag is dan waar dat geld vandaan moet komen. Is er niet wat ruimte in de OCW-begroting? En anders: wat gaat er mis als de KB voor openbaar bibliotheekwerk wat minder ontvangt dan € 32 miljoen? De Sagrada Familia zal iets later klaar zijn, maar so what? Gebruikers van openbare bibliotheken zullen er weinig van merken. En het leenrecht is in één keer goed geregeld.

Bespreking zes varianten
Dan de tweede vraag, wat heeft de burger aan ons ingewikkelde stelsel? Kan het niet wat eenvoudiger met dat netwerk? Laat ik de zes varianten kort bespreken.

Verdere decentralisatie
Variant a (gemeenten en provincies) houdt in dat OCW z’n bemoeienis stopt en het betrokken rijksgeld wordt toegevoegd aan gemeente- en provinciefonds. Verdere decentralisatie, maar nog wel wat (innovatie-)samenhang binnen de provincies. Een (nu oud-)PSO-directeur noemde deze variant eens een zegen voor het land. De KB bekostigt de Nationale Digitale Bibliotheek uit haar WHW-geld (Wet hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek). Volgens KB-berichten is die Nationale Digitale Bibliotheek toch al veel meer dan de wettelijke landelijke digitale openbare bibliotheek. Zij beslaat inmiddels ook al twee websites (www.bibliotheek.nl en www.onlinebibliotheek.nl). Iedere gebruiker die het wil kan er rechtstreeks tegen betaling op inloggen. Naar behoefte zouden gemeenten of bibliotheken en provincies of provinciale ondersteuningsinstellingen (POI’en) nog wat kunnen bijdragen voor ‘het openbare bibliotheekgedeelte’.
Ik denk niet dat veel openbare bibliotheken en gemeenten tegen deze variant zullen zijn.

Nog geen vijf POI’en
Variant b (gemeenten en rijk) is al zeer vaak bepleit, de Raad voor Cultuur kwam er regelmatig mee, maar de provinciale laag is er nog steeds. De Memorie van Toelichting (pdf) bij de Wsob zag (pagina 8) nog een rol voor de provincies ‘in het fysieke domein’ (innovatie en leenverkeer) en rept over vrijwillige opschaling van POI’en tot er nog circa vijf overblijven. Maar dat laatste gaat blijkbaar langzamer dan de MvT dacht, een fusie in het noorden komt er niet, zoals ook bleek uit een interview met Lenie van der Werf, als directeur vertrokken bij Biblionet Drenthe, in Bibliotheekblad 6/2017. Maar waarom zou daar niet kunnen wat wel in het oosten, westen en zuiden kon?
Overigens was de commissie-Gerritsen in december 2016 niet zo enthousiast over POI’en.
In deze variant kan de KB rijksgeld blijven ontvangen voor de landelijke digitale openbare bibliotheek. Het stelsel is eenvoudiger, dus kunnen de stelseltaken met minder geld toe. Een deel van het provinciegeld kan na een uitname uit het provinciefonds worden gecentraliseerd en een deel gedecentraliseerd.

Geen gekke gedachte
Variant c (provincies en rijk) zou kunnen betekenen 12 (of 15, als we de drie grote stadsbibliotheken even apart rekenen) grote basisbibliotheken in plaats van 150. Ongeveer het advies van de Raad voor Cultuur (pdf) uit 1998. Wel een digitale rol voor de KB, maar met een veel eenvoudiger stelsel (dus ook hier minder stelselgeld). Deze variant lijkt me geen gekke gedachte. In Flevoland en Zeeland zijn er nog maar twee respectievelijk drie bibliotheken, dus daar zijn we al aardig op weg. Groningen had al zoiets (maar raakte het kwijt door de komst van het Groninger Forum in de stad Groningen). Het rijk zou in deze variant geld moeten weghalen uit het gemeentefonds en moeten beleggen bij de provincies ten behoeve van verder opgeschaalde, door de provincies bekostigde basisbibliotheken. Een mooie herverdeling met veel vereenvoudiging. De autonomiegevoelens van de huidige gemeenten en bibliotheken en weerstand tegen weinig populaire provincies zullen zich er echter tegen verzetten.

Optimale autonomie
Die autonomiegevoelens worden wel optimaal bediend bij variant d (alleen gemeenten). Het rijk haalt geld weg uit het provinciefonds en herverdeelt alles, inclusief zijn eigen geld (behalve voor leenrecht), over het gemeentefonds. De lokale democratie komt optima forma tot haar recht.
De vrijwillige franchiseformule van Gert Staal kan voor de samenhang en de efficiency zorgen. Zelfs één landelijk bibliotheeksysteem en één landelijke digitale bibliotheek, eigendom van de lokale bibliotheken, moeten op basis van zo’n formule mogelijk zijn. De vorige franchisepoging mislukte door het gedoe over inrichtingsconcepten, maar je mag verwachten dat daar inmiddels voldoende van geleerd is.

Minst haalbaar
Variant e (alleen provincies) lijkt erg op variant c. Wel mooi, maar dit lijkt mij de minst haalbare variant.

Singapore-variant
Variant f (alleen het rijk) is de Singapore-variant: alle Nederlandse openbare bibliotheken en de KB fuseren met elkaar, we krijgen De Bibliotheek Nederland, met een groot aantal fysieke vestigingen (optimaal spreidingsbeleid) en veel mooie fysieke en digitale dienstverlening, die niet gescheiden is. Geen kunstmatige twee-eenheid, maar een echte. En een echte ‘Collectie Nederland’. Ook komt er één automatiseringssysteem. Zeer effectief en efficiënt, geen problemen rondom privacy, geen consortia, geen eindeloos veel overleg. En goed geïnformeerde burgers. Innovatie bloeit als nooit tevoren. Elke pas is meteen een nationale bibliotheekpas.
Het rijk zorgt via een serieuze Bibliotheekwet voor de bekostiging. Ook hier zullen autonomiegevoelens omgezet worden in rationele argumenten die ertegen pleiten. Maar wat is er, als je er goed over nadenkt, eigenlijk op tegen? Directeuren worden lokale filiaalhoofden en kunnen zorgen voor lokale inkleuring, waar die nodig wordt geacht.

Wat meer werk
Conclusie: de Kwink Groep heeft meer te doen met mijn twee extra suggesties erbij, want de voor- en nadelen van de zes varianten moeten natuurlijk grondiger bekeken worden dan ik het hierboven even globaal deed.
En anders maar in 2019 eens kijken hoe het ervoor staat met de CBS-cijfers in relatie tot de sanctieloze Wsob die gemeenten niet verplicht een openbare bibliotheek in stand te houden. Overigens een mooie wet voor een minister van OCW: als het goed gaat, is het te danken aan de wet en als het niet goed gaat, is de lokale democratie de schuldige.
Maar laten we hopen dat het, ondanks de wet, met de CBS-cijfers de komende jaren beter gaat dan in de laatste tien jaar.

Wim Keizer 


Print deze pagina

Reacties op dit artikel (0)

Er zijn nog geen reacties.

Schrijf een reactie

Naam
E-mailadres (?)
Reactie
 

Gerelateerde informatie