HomeRubriekenGastblogsBericht
voetnoot
Innovatiedatabase met innovatie-eigenaren en een innovatiecharter: op zoek naar (w)erkende innovaties
Wim Keizer
22-11-2016
Is een Leidraad voor gezamenlijke innovatie in de periode 2016-2018 iets anders dan een Richtinggevend kader voor permanente en gezamenlijke innovatie?
Ik zou het niet kunnen zeggen, maar het is wel één van de tekstverschillen tussen het op 13 april 2016 verschenen concept van de Gezamenlijke (innovatie)agenda netwerk openbare bibliotheekvoorzieningen en de op 10 november 2016 gepubliceerde definitieve versie, waarin innovatie in de titel en de rest van het stuk niet meer tussen haakjes staat.
 
Innovatiedatabase met innovatie-eigenaren en een innovatiecharter: op zoek naar (w)erkende innovaties
Op 27 juni 2016 is er bestuurlijk overleg van VNG, IPO en OCW over het concept geweest, waaraan ook VOB, KB en SPN hebben deelgenomen. In de WWW van november merkte ik op (zie De maand die was) dat het erg lang duurde voordat er na dit overleg een definitieve versie uitkwam. Die verscheen (toevallig!) net een dag nadat deze WWW was verstuurd.
In haar voorwoord schrijft KB-directeur Lily Knibbeler dat het concept na aanpassing is teruggekoppeld en vervolgens door alle betrokkenen is geaccordeerd.
Daar is men dan kennelijk ruim vier maanden mee bezig geweest (van 28 juni tot en met 9 november). Maar zo’n periode is eigenlijk nog kort als je beseft dat er zes partijen zijn die allemaal bestuurlijk moeten kijken en vervolgens moeten overleggen en dat er voorafgaand aan dat bestuurlijke kijken eerst ambtelijk overleg, voorafgegaan door ambtelijke bestudering van de teksten, moet hebben plaatsgevonden. Het is interessant te zoeken wat al deze ambtelijke en bestuurlijke arbeid heeft opgeleverd en wat de verschillen zijn tussen de definitieve versie en het concept.

Ik noemde al het voorblad. Ook in andere tekstdelen staan veel verschillen en verschilletjes, de meeste veroorzaakt door het feit dat alle partijen nadrukkelijk genoemd moeten worden en dat ze weliswaar iets gezamenlijks willen, maar natuurlijk in dit streven ook allemaal een ‘eigenstandige verantwoordelijkheid’ hebben.

Communities of practice
De belangrijkste verschillen staan in hoofdstuk 3, Innovatie en rollen in het stelsel. Daarin staan twee nieuwe paragrafen 3.2 en 3.3. en zijn de oude 3.2 en 3.3 opgeschoven.
De nieuwe 3.2 heet Nieuwe verbanden: communities of practice.
Wat zijn communities of practice? ‘Samenwerkingverbanden op inhoud, niet beperkt door provinciegrenzen of verschillende posities binnen het stelsel. Ook niet door landsgrenzen: samenwerking met buitenlandse bibliotheken kan leiden tot innovatie, onder meer via Europese subsidieprojecten.’ Als voorbeelden noemt het stuk ‘de grootschalige projecten van de G4 rond ouderen’ en de Bredebiebcommunity.
Volgens artikel 16 van de Stelselwet zijn de provinciale ondersteuningsinstellingen (POI’en) gezamenlijk verantwoordelijk voor ‘ontwikkeling van innovaties ten behoeve van de lokale bibliotheken, in overeenstemming met de Koninklijke Bibliotheek in verband met haar coördinerende taak’.
Het is maar goed dat deze paragraaf 3.2 is toegevoegd, zodat POI’en en KB vooral niet de G4 en de Bredebieb vergeten en niet denken binnen provinciale grenzen. De drie grootste G4-bibliotheken hebben een omvangrijker werkgebied dan de kleinste POI’en. Vandaar dat er een zekere rivaliteit was en is.

Werkend en erkend
De nieuwe paragraaf 3.3 heet Informatie- en kennisdeling. Daarin wordt gepleit voor een goed overzicht van werkende en erkende innovaties. Reden: ‘Er hebben in de afgelopen jaren veel innovaties plaatsgevonden in de bibliotheeksector, maar het is – voor bibliotheekvoorzieningen en overheden – niet eenvoudig te achterhalen welke innovaties hebben plaatsgevonden, of er materialen beschikbaar zijn en of ze bewezen effectief en goed uitvoerbaar zijn. Echter, in een ideale situatie zou objectieve, vergelijkbare informatie over innovaties en over de effectiviteit en uitvoerbaarheid van innovaties eenvoudig te achterhalen moeten zijn.’
Om daarin te voorzien, komt er een ‘innovatiedatabase’. Bovendien wordt er voor het bibliotheeknetwerk een erkenningstraject ingericht. ‘Doel is, dat op grond van onderzoek, overleg en toetsing een status wordt toegekend in gradaties, bijvoorbeeld “geregistreerd” tot “wetenschappelijk bewezen effectief”.’
De KB zal in het najaar van 2016 (nu dus) het initiatief nemen tot inrichten van een erkenningsproces voor bibliotheekinnovaties, mede op basis van vergelijke processen elders. Hoe gaat dat in z’n werk? ‘Innovatie-eigenaren kunnen hun innovatie via het erkenningstraject laten beoordelen op effectiviteit en uitvoerbaarheid. De erkenningscommissie kan bestaan uit wetenschappers en practicioners uit diverse geledingen van het bibliotheeknetwerk. Onafhankelijkheid en gezaghebbendheid zijn belangrijke criteria voor de inrichting en samenstelling van de erkenningscommissie. Resultaten van monitoring en effectiviteitsmetingen maken deel uit van dit proces.’
Goed dat deze paragraaf is toegevoegd, zodat er een eind komt aan de onoverzienbare hoeveelheid losse innovatie-ideetjes, waarvan ik niet weet of mijn eigen bibliotheek er ook iets mee kan en zo ja, er ook iets mee doet.

Eindpunt en startpunt
Nieuw is ook het slot, Landelijke afsluiting, van het laatste hoofdstuk (4) over de actieagenda. In het concept waren daar een paar regels aan gewijd. Om het eindpunt van het voorbereidingstraject te markeren zou er een landelijke conferentie worden georganiseerd, waarin het resultaat van een invulschema met twaalf velden zou worden gepresenteerd. Bestaande uit de drie rijen ‘Goede ideeën ontwikkelen’, ‘Experimenten uitvoeren’ en ‘Beschikbaar stellen en implementeren’, gekoppeld aan vier kolommen: de prioriteiten Jeugd & onderwijs, Zelfredzaamheid & participatie, Persoonlijke ontwikkeling en Verandering & verbreding van de klassieke bibliotheek. Ofwel ‘het uitvoeringsprogramma’. Die conferentie kon dan tevens gezien worden als een startpunt voor een proces van permanente innovatie op basis van het programma. Het deed me erg denken aan een speech van Churchill in november 1942, na de slag bij El Alamein: ‘Now this is not the end. It is not even the beginning of the end. But it is, perhaps, the end of the beginning.’ Tussen eindpunt voorbereidingstraject (end of the beginning) en startpunt permanente innovatie (beginning of the end) kunnen nog vele jaren verstrijken. En bij iets permanents is er uiteraard geen einde.

Bijeenkomst
Het definitieve stuk heeft het niet meer over een conferentie, maar over een bijeenkomst om te komen tot bestuurlijke afspraken. De ambitie is gezamenlijke financiering van innovatie in het bibliotheeknetwerk te verkrijgen, waarin ook in innovatiemiddelen uit aanpalende sectoren worden betrokken. Die ambitie wordt zo belangrijk gevonden dat de desbetreffende zin aan het eind twee keer is vermeld.
In paragraaf 3.6 over de financiering staat: ‘In deze agenda worden geen concrete bedragen voor innovatie genoemd. Wel wordt de ambitie uitgesproken om bestaande en nieuwe innovatiemiddelen te matchen op de verschillende niveaus om zo te komen tot een innovatiecharter voor het bibliotheeknetwerk.’
Van 2010 tot en met 2012 hadden we een Bibliotheekcharter. Dat ging ook over innovatie. Het belangrijkste terrein van innovatie was de digitale bibliotheek. Ik heb niet de indruk dat die digitale bibliotheek al klaar is. In hoofdstuk 3.5 over de uitwerking van de rolverdeling van de partijen staat als landelijk aandachtspunt: ‘Innovaties ontwikkelen ten behoeve van het openbare bibliotheekgedeelte van de nationale digitale bibliotheek.’ De KB begon al eerder te praten over een ‘brede digitale bibliotheek’, de ‘nationale digitale bibliotheek’ (NDB). Kennelijk moet deze iets anders en iets groters worden dan de tot nu toe bekende ‘landelijke digitale bibliotheek’. Ik ben benieuwd naar het eindplaatje van die NDB en de weg er naar toe.

Ontwikkeling keren
In vrijwel elk tekstdeel van de rest van de nota staan ook wel kleinere of grotere wijzigingen. Ik haal er nog een paar uit. In 1.1 Aanleiding, is onder 1. Inleiding, als vierde bullet toegevoegd: ‘Het afnemend aantal uitleningen en een afnemend aantal bibliotheekleden levert de noodzaak op om meer actie te ondernemen en te vernieuwen, ten einde de ontwikkeling verder te keren.’
Onder 1.2 Doelstelling, moest breed delen van de prioriteiten niet alleen geschieden binnen het bibliotheeknetwerk, maar ook door de netwerkverantwoordelijke overheden.
In 2.3 over de prioriteit Participatie & zelfredzaamheid is in de inleidende ambitie over het ontwikkelen van basisvaardigheden als nieuw element ook de bevordering van sociale cohesie en het tegengaan van ongelijke kansen en segregatie toegevoegd.
Ik hoorde dat minister Bussemaker (PvdA) gekoppeld aan de innovatieagenda een evenement wilde organiseren over ‘bibliotheek en gelijke kansen’, maar dat dit niet doorgaat en vervangen wordt door een gericht werkbezoek.
Iets verderop in 2.3 is wel de passage blijven staan over het expertisedomein: ‘Bij deze prioriteit moet overigens wel worden aangegeven dat bibliotheken binnen het eigen expertisedomein blijven: informatie, voorlichting, educatie en verwijzing. Zorg en hulpverlening horen tot het domein van zorgprofessionals en niet van de openbare bibliotheken.’
In 2.6 De unieke positie van de bibliotheek als uitgangspunt, staat een nieuw inleidinkje waarin ook de digitale bibliotheek genoemd wordt. Die is ‘een aanvulling op de lokale bibliotheek en omgekeerd. Beide versterken en verrijken elkaar.’
Bij de onderscheidende punten voor de positie van de bibliotheek is een nieuw bullet toegevoegd: ‘De bibliotheek is een algemene publieke voorziening waar een ieder uit de samenleving komt. Van allochtoon tot autochtoon, van hoogopgeleid tot laagopgeleid, van jong tot oud.’
Kennelijk is dit laatste in de tekst gezet voordat er een bericht kwam dat het woord ‘allochtoon’ te stigmatiserend wordt gevonden.

Afscheid nemen
In 3.1 Permanent en gezamenlijk innoveren, is een nieuwe passage opgenomen: ‘Innoveren betekent niet alleen nieuwe producten en diensten ontwikkelen, maar ook afscheid durven nemen van producten en diensten die hun waarde hebben verloren. Kenmerkend aan innovaties is dat ze een hoge faalkans hebben: goed bedachte innovaties blijken soms achteraf niet te werken. Daardoor zullen niet alle goede ideeën doorstromen tot experimenten en zullen niet alle experimenten succesvol blijken te zijn. Het faalrisico [is] belangrijk om als netwerk te accepteren, omdat zonder die acceptatie risicovolle innovaties zullen worden vermeden terwijl misschien juist die innovaties voor de samenleving de meeste toegevoegde waarde hebben.’

In 3.5 Uitwerking van de rolverdeling bij innovatie, is bij de provinciale rol benoemd dat de innovatie van het interbibliothecaire leenverkeer (IBL) een expliciete taak is van de POI’en conform de Wsob.
Al in mei 2014 verklaarden de POI’en te willen onderzoeken waar het IBL beter, eigentijdser en efficiënter kan, maar ik heb nog geen onderzoeksresultaten gezien.

Digitaal en fysiek domein
Hoofdstuk 4 heet nu Tot slot: van innovatieagenda naar actieagenda in plaats van Tot slot: van (innovatie)agenda naar uitvoeringsprogramma.
Nieuw is de passage: ‘Voor de uitvoering van de innovatieagenda zal de KB zich in het najaar voorbereiden op haar taken rond innovatie in het digitale domein en de samenwerking en afstemming in het bibliotheeknetwerk. Voor de innovatie in het fysieke domein ligt het initiatief bij de provinciale overheden en de POI’s om in afstemming met de lokale overheden en bibliotheken het provinciale en regionale beleid invulling te geven, met de innovatieagenda als leidraad.’
Maar in 3.5 staat dat alle spelers innovatie in het fysieke en digitale domein inzetten, ieder vanuit zijn eigen positie. ‘Innovaties, ook in het fysieke domein, hebben vaak een digitale component. Uiteindelijk gaat het erom dat de klant één bibliotheek ervaart, fysiek en digitaal.’
Ik heb het vaker geschreven, zulke zinnen zijn niet meer dan een bezweringsformule tegen fysieke angst voor de digitale bibliotheek, want iedereen weet en voelt dat geen enkele fysieke bibliotheek hetzelfde is en dat gebruikmaken van de digitale bibliotheek een heel andere ervaring is dan van welke fysieke bibliotheek dan ook.

Informatiefunctie
Na de Nederlandse stemming over het Oekraïne-referendum, de Britse stemming over de Brexit en de Amerikaanse presidentsverkiezingen rees veel discussie over de vraag of de kiezers allemaal wel goed geïnformeerd waren. Die ging en gaat vooral over de rol van de mainstream media en van de social media. Over de rol van openbare bibliotheken las ik vrijwel niets.
Ik heb een innovatief idee, maar het is eigenlijk gewoon wat bibliotheken altijd al hoorden te doen, gezien hun expertiseterrein (informatie, voorlichting, educatie en verwijzing): draag er met volle kracht aan bij dat kiezers zich bij volgende gelegenheden optimaal geïnformeerd hebben. Dan kunnen we weer, net als vroeger, zeggen dat openbare bibliotheken onmisbaar zijn voor het functioneren van de democratie.

Wim Keizer 


Print deze pagina

Reacties op dit artikel (0)

Er zijn nog geen reacties.

Schrijf een reactie

Naam
E-mailadres (?)
Reactie
 

Gerelateerde informatie