HomeRubriekenGastblogsBericht
voetnoot
VNG-handreikingen hollen achter klimatologische modes aan
Wim Keizer
01-06-2015
Drie jaar na de handreiking ‘De openbare bibliotheek in het digitale tijdperk’ heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), naar aanleiding van het verschijnen van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen (Wsob), een nieuwe handreiking voor gemeenten laten maken: ‘Lokaal bibliotheekwerk’. Deze handreiking kan, blijkens de inleidende tekst, worden gezien als vraagbaak, richtingwijzer en inspiratiebron. Net als in de vorige handreiking, staan in deze nieuwe handreiking zinnige dingen, maar ook passages die bij mij twijfel en hier en daar zelfs weerzin opwekten. Ik heb de hele tekst doorgelezen en mij er door laten inspireren tot het schrijven van dit gastblog.
VNG-handreikingen hollen achter klimatologische modes aan
Maar ik begin nog even met de passages uit ‘De openbare bibliotheek in het digitale tijdperk’ (pdf) die mij in 2012 het meest onaangenaam getroffen hebben: ‘Als de bibliotheek een grote papieren collectie blijft aanhouden, zullen dubbele kosten worden gemaakt. Het geheel vervangen van de papieren collectie door een digitaal aanbod is niet realistisch; wel kan het gebruik van het papieren boek zoveel als mogelijk worden teruggedrongen door substitutie.’ (pagina 10 en 11). Op pagina 64 worden boeken simpelweg vergeleken met treinkaartjes of belastingformulieren: ‘Vergelijkbare operaties zijn bijvoorbeeld de introductie van pinautomaten en internetbankieren; de OV-chipkaart; de digitale aangifte van belastingen op basis van DigiD. Kenmerkend voor deze operaties is dat de klant actief door middel van positieve en negatieve prikkels en de beperking van keuzemogelijkheden min of meer wordt geleid naar het gebruik van de digitale dienst. In dergelijke operaties blijft de fysieke dienst op de korte termijn bestaan, maar wordt in de loop der tijd minder belangrijk om tot slot vervangen te worden door de digitale dienst.’
Uit de substitutiegedachte valt te verklaren waarom de VNG, die altijd voor zo veel mogelijk decentralisatie naar gemeenten is, in dit bijzondere geval akkoord is gegaan met de onttrekking van gelden uit het gemeentefonds om er door de Koninklijke Bibliotheek (KB) centraal e-content mee te kunnen laten aankopen.

Anticyclisch

Nu veel Nederlanders dagelijks urenlang op schermen en schermpjes zitten te turen, overal waar ze zijn, zelfs als ze lezingen en excursies bijwonen of in de bioscoop zitten, zou het, naast andere taken, een nuttige taak van de bibliotheek kunnen zijn fysieke collecties zo veel als maar mogelijk is in stand te houden en mensen te stimuleren daar met veel aandacht en concentratie gebruik van te maken. Gelukkig ken ik bibliotheken die dit ook nadrukkelijk doen en dwars tegen de substitutiehandreiking in een ‘anticyclisch beleid’ voeren, waar ze hun wethouder in meekrijgen: de collectie centraal stellen en de deskundigheid van het personeel om burgers enthousiast te maken voor lezen van boeken zo veel mogelijk bevorderen.

Twee rechte lijnen?
In de nieuwe handreiking (pdf) staat op pagina 7 in relatie tot ‘de digitale bibliotheek’ de zin: ‘Verwachting voor de langere termijn is een verder afnemend fysiek gebruik en een groeiend digitaal gebruik.’ Hierbij krijg ik een beeld van een grafiek met twee rechte lijnen: één die alsmaar stijgt (het digitale gebruik) en één die alsmaar daalt (het fysieke gebruik). Maar de vraag is of de lijnen wel zo recht zullen blijven lopen en of mensen die informatie raadplegen dat op een gegeven moment alleen nog maar digitaal zullen doen en op datzelfde moment helemaal niet meer fysiek. Zo’n rechte-lijnen-scenario lijkt me zeer onwaarschijnlijk. Veel waarschijnlijker lijkt mij dat beide lijnen in de grafiek steeds meer horizontaal gaan lopen, waarbij de fysieke lijn zelfs nog hoger zou kunnen liggen dan de digitale lijn, als we het niet hebben over ‘informatie’, ‘content’ of ‘data’ in brede, algemene zin (dus inclusief alles wat mensen zelf op sociale media deponeren en aan elkaar WhatsAppen), maar wel over zorgvuldig tot stand gekomen boeken en e-books, als welbeproefde vormen van gestructureerde en gecontextualiseerde informatie. Is het lezen van e-books niet een soort nichemarkt voor mensen op vakantie, van wie velen, als ze thuis zijn, net als niet-e-booklezers liever een papieren boek ter hand nemen?

Onderscheid met commercieel aanbod?
De handreiking zegt op pagina 8: ‘In een situatie waarbij uitleen (door openbare bibliotheken) en verhuur (door private c.q. commerciële partijen) van e-books en andere digitale content naast elkaar zullen bestaan, is het noodzakelijk te onderbouwen waarom de openbare bibliotheeksector op dit vlak bepaalde voorzieningen moet blijven aanbieden en waarin zij zich moet onderscheiden van een commercieel aanbod.’ En: ‘De taken van de openbare bibliotheek in het digitale domein concentreren zich op het publieksvriendelijk, gestructureerd en van context voorzien aanbieden van digitale vormen van informatie en cultuur met een toets op betrouwbaarheid, onafhankelijkheid, authenticiteit en pluriformiteit.’
Laten we hier eens verder over doordenken. Wat moet de openbare bibliotheek nu wel of niet digitaal aanbieden? De publieke voorziening zou informatie in context moeten bieden die getoetst is op de vier genoemde eigenschappen. Maar is dat voldoende onderscheidend ten opzichte van wat private en commerciële partijen aanbieden? Heel veel boeken, kranten en tijdschriften van private en commerciële partijen, of ze nu stoffelijk of digitaal verschijnen, bevatten al gecontextualiseerde informatie. Bibliotheken kopen die informatie, voor zover niet rechtenvrij, van die partijen. Voor het uitlenen ervan gelden bij digitale informatie vervelende beperkingen (de uitgever moet toestemming geven) die veroorzaken dat ‘de digitale bibliotheek’ in mijn ogen niet als net zo ‘onafhankelijk’ als fysieke bibliotheken kan worden getypeerd. Dat maakt de onttrekking uit het gemeentefonds des te kwalijker.

Beperkende factor
Probleem met contextualiseren, ik schreef er al eerder over, is dat elke context weer van nieuwe of andere contexten kan worden voorzien. Er is een onoverzienbaar aantal mogelijkheden. Elke schrijver met een nieuw boek voegt weer nieuwe context toe. Dat aantal is fysiek al niet te overzien, laat staan digitaal. Daar komt bij dat er op internet naast de sites die e-books aanbieden en de sites van kranten en tijdschriften nog ontelbaar veel meer websites zijn, waarvan vele betrouwbaar, onafhankelijk en authentiek. En die bijdragen aan een enorme pluriformiteit. Ook elke wijziging van een website en elke nieuwe website is verandering van context. Het is al een oud cliché, maar niettemin waar: je kunt het hele internet één grote digitale bibliotheek noemen met, althans in Nederland, Google als belangrijkste zoekmachine. De heldere missie van Google is alle informatie ter wereld te organiseren en universeel toegankelijk en bruikbaar te maken. Dat is heel wat duidelijker dan de vijf (5!) functies van het openbare bibliotheekwerk. Het is heel lastig voor de bibliotheek om in haar rol van aanbieder van informatie daar onderscheidende taken aan toe te voegen, als je zou willen beweren: wat de bibliotheek aanbiedt is publieksvriendelijk, gestructureerd, van context voorzien, betrouwbaar, onafhankelijk en authentiek en wat er verder nog op internet staat en waar bibliotheken niets mee doen is niet-publieksvriendelijk, ongestructureerd, niet van context voorzien, onbetrouwbaar, niet onafhankelijk en niet-authentiek. Bibliotheken, juist als ze een publieke voorziening willen blijven, zijn afhankelijk van de overheden. Het beschikbare subsidiebedrag zal dus veel eerder de beperkende factor zijn in wat bibliotheken aanschaffen dan een logisch onderscheid tussen publiek en privaat.
Ik zie in stukken over de Nationale Bibliotheekcatalogus (NBC+) dat mensen steeds meer behoefte zouden hebben aan gecontextualiseerde digitale informatie o.a. in de vorm van Open Data en Linked Open Data. Maar is die grote behoefte al gebleken bij de niet vrij op internet verkrijgbare digitale content die tot nu toe door de VOB-inkoopcommissie is ingekocht? Is daar onderzoek naar gedaan? Ik zie ook een neiging om niet alleen bibliotheekcollecties (in de vorm van tekst) te willen aanbieden, maar ook allerlei erfgoedcollecties in de vorm van beelden en geluiden. Probleem bij al die digitale informatie is echter dat de kosten van digitalisering, digitaal ontsluiten en goed bewaren vele malen hoger zijn dan de overheden willen subsidiëren en de markt wil betalen, zelfs als we ons alleen maar zouden beperken tot Nederlands erfgoed en Nederlandstalige teksten. De NBC is één van de wereldwijde metadatahubs, maar de vraag is of het wel zinvol is te streven naar zo weinig mogelijk van die hubs. De gebruiker kan ze ook zelf bij z’n favorieten zetten, als die werkelijk behoefte heeft aan de data die er door ontsloten worden.

Welke selectiecriteria?
Hoe dan ook is duidelijk dat veel meer moet worden nagedacht over het ook weer in deze handreiking (op pagina 10) klakkeloos opduikende, fictieve begrip ‘de collectie Nederland’. Als optelsom van wat bibliotheken met vooral gelden van hun gemeente aan fysieke materialen hebben ingekocht, kan ik mij er nog wat bij voorstellen, maar niet als het gaat om Nederlandstalige digitale informatie, want wat koop je in (als het niet op internet staat) en wat selecteer je verder nog (als het er wel op staat en je er makkelijk een linkje naar kunt leggen)?
Om nog te kunnen spreken over ‘een collectie’ zal er streng geselecteerd moeten worden, met als vraag wat de selectiecriteria worden, daar, zoals ik schreef, betrouwbaar, onafhankelijk, authentiek en pluriform beslist onvoldoende onderscheidend zijn. Ik ben het eens met Marina Polderman dat het begrip ‘selectiecriteria’ hoog op de agenda moet, maar dan niet alleen met betrekking tot boeken maar ook met betrekking tot e-content.
De handreiking heeft het trouwens over ‘fysieke en digitale materialen’. Maar digitale informatie wordt pas ‘materiaal’ als je het print. Printing-on-demand zou een bibliotheektaak kunnen zijn, maar dan toch pas te activeren als er vraag naar is.

Huiver
Onderscheidend kan de bibliotheek wél zijn in het bevorderen van geletterdheid en mediawijsheid en mensen helpen vragen te beantwoorden, maar daar is helemaal niet zo’n heel groot aanbod van (digitale) informatie voor nodig. Het kan ook heel goed zonder NBC+. De KB zegt in haar NBC-brochure van maart (pdf, raar genoeg niet verschenen op de KB-site, maar wel aan mij gemaild) dat er een ‘geïntegreerde totaaloplossing’ komt voor de NBC. Ik ben huiverig voor woorden als ‘geïntegreerd’ en ‘totaal’, vooral als ik niet weet op welk probleem die totaaloplossing een antwoord geeft. Ik associeer die woorden ook met ingewikkeld en duur. Vaak is het veel handiger zaken apart te bekijken en niet allemaal op één totalitaire hoop te gooien. Het zou al mooi zijn als die NBC, waar inmiddels zeven jaar aan gewerkt is, er op 30 juni 2015, ik noem maar eens een einddatum, in zou slagen gewoon de papieren collecties van de verschillende Nederlandse bibliotheeksoorten in één zoekgang te ontsluiten. Ik meende dat dit toch de bedoeling was toen er in 2009 aan begonnen is.

DigiD-inlogcode
Ook onderscheid maken tussen ‘de digitale bibliotheek’ en de fysieke bibliotheken is erg handig. Ze kunnen elk een eigen, nuttige rol hebben en het is veel makkelijker daar over te spreken als je ze apart bekijkt dan wanneer je ze als één onverbrekelijk geheel wilt zien. De handreiking ziet het anders en schrijft in navolging van de Vereniging van Openbare Bibliotheken (VOB) op pagina 28: ‘De klant zal geen onderscheid willen maken tussen de landelijke digitale en de lokale bibliotheek. Om goed in te spelen op deze trend moeten de lokale en de digitale bibliotheek dus nauw met elkaar verbonden worden.’
Maar op pagina 16 is de handreiking wel zo realistisch te melden dat er wel degelijk burgers (en geen ‘klanten’) zullen zijn die het onderscheid willen maken, zoals ook de Stelselwet doet: ‘In de Wsob is geborgd dat burgers zowel direct als via de lokale bibliotheek toegang kunnen krijgen tot de digitale bibliotheek. De digitale bibliotheek omvat rechtenvrije en auteursrechtelijk beschermde content. De rechtenvrije content is voor iedereen vrij toegankelijk. Voor de toegang tot auteursrechtelijk beschermde werken en diensten is een gebruikersregistratie vereist. Iedereen die in Nederland als ingezetene is ingeschreven, kan zich als gebruiker van de digitale bibliotheek laten registreren. Het is daarbij niet noodzakelijk lid te zijn van een fysieke bibliotheek (cursivering van mij – wk). Op dit moment is nog niet bekend wat de kosten worden van het lidmaatschap van een digitale bibliotheek. Dat zal in de loop van 2015 bekend worden.’
Ik herhaal nog maar eens dat het me onzin lijkt, ook als er aan uitgevers voor e-content betaald moest worden, geld aan gebruikers te vragen voor de digitale bibliotheek. Het aan het gemeentefonds onttrokken geldbedrag is immers groot genoeg om de uitgevers van te betalen.
Tijdens de VNG-bijeenkomsten waarin de handreiking besproken werd, merkte een inleider op dat registratie bij de digitale bibliotheek door middel van inloggen straks kan met de DigiD-inlogcode. Dat geldt natuurlijk ook voor inwoners van bijvoorbeeld de gemeente Waterland, want de onttrekking uit het gemeentefonds betreft alle gemeenten. De handreiking zegt (pagina 67) dat bij een beperkte gemeentelijke opdracht aan een bibliotheek (zoals in Waterland) het risico bestaat dat die niet aan het stelsel kan deelnemen. Een onderdeel van dat stelsel is aansluiting op de digitale infrastructuur. Als die er niet is, zullen inwoners via hun lokale bibliotheek(pas) geen toegang hebben tot de digitale bibliotheek. Maar rechtstreeks kan het wel: ‘Als men e-books wil lenen, kan dat door direct lid te worden van de KB’, aldus de handreiking. Dat is natuurlijk erg beperkt, maar het gevolg van een lokaal democratisch proces.

Ondernemerschap
De handreiking gaat ook in op ‘cultureel ondernemerschap’: ‘Lange tijd waren de continuïteit en ontwikkeling van het cultuuraanbod in Nederland verzekerd – of op zijn minst voorspelbaar – door een trendvolgende manier van publieke en private financiering. Maar die tijd is voorbij en komt zeker op korte termijn niet terug. In het huidige maatschappelijke en economische klimaat is – ook in andere sectoren – bijna niets meer vanzelfsprekend, de culturele sector kan zich daaraan niet onttrekken,’ zegt de handreiking op pag. 27. Ik heb niets tegen ondernemerschap als positieve attitude, maar wel tegen de grote vervaging tussen het private en het publieke domein die met het veelvuldig gebruik van het woord ‘ondernemerschap’ gepaard gaat. Over de gevaren daarvan schrijft ook Bart Janssen in zijn Uitsmijter in Bibliotheekblad 5/2015.
De zich nog verbreidende gewoonte om de begrippen ‘ondernemerschap’, ‘ondernemer’ en ‘onderneming’ ook in het publieke domein aan alles en iedereen te koppelen om maar positief over te komen zal vanzelf wel een keer weer verdwijnen. Maar zover is het nog niet, ik zag pas nog een advertentie van de gemeente Bronckhorst voor een burgemeester. Je snapt het al, dat moet een ondernemer zijn. Zoals ook ambtenaren tegenwoordig ondernemend moeten zijn. Ook huisartsen moeten ondernemer zijn, in concurrentie met andere dokters. Vorig jaar signaleerde ik in dit verband al het verschijnsel dat we graag alsmaar dezelfde woorden gebruiken. De VNG doet er volop aan mee.

Handschoen
Op pagina 64 staat: ‘Bibliotheken die de handschoen van het maatschappelijk ondernemerschap oppakken handelen vanuit een richtinggevende culturele en maatschappelijke visie. Zij gaan actief om met initiatieven uit de bevolking en sluiten allianties. In hun werk maken zij gebruik van landelijke programma's en impulsgelden en vertalen deze in lokaal werkende vormen van dienstverlening. Zij worden hierbij waar mogelijk gefaciliteerd door provinciale serviceorganisaties. Het eigen inkomstenpercentage van bibliotheken is laag (17%) in vergelijking met andere culturele instellingen als musea (37%), centra voor kunsteducatie (36%), theaters/concertzalen (58%) en poppodia (71%). Bibliotheken moeten vertrouwd raken met ondernemerschap, business-modellen en nieuwe vormen van publiek-private samenwerking. Ook gemeenten dienen op dit terrein kennis en vaardigheden te ontwikkelen, zodat zij een stimulerend beleid kunnen voeren en onbedoelde belemmeringen voor cultureel ondernemerschap kunnen wegnemen.’ De handreiking ziet het verwerven van meer eigen inkomsten als aanbevelenswaardig.
Het is duidelijk vanuit welke ‘richtinggevende culturele en maatschappelijke visie’ deze aanbevelingen, waarbij ‘ondernemerschap’ meteen wordt gekoppeld aan meer eigen inkomsten, geschreven zijn. Die neiging kwam ook ter sprake tijdens de 27 mei gehouden werkconferentie ‘De koers bepalen!’, maar niet iedereen was daar blij mee. Dat ook andere visies op de taak van publieke instellingen mogelijk zijn, komt in de handreiking niet aan bod, maar er zijn landen waar het openbare bibliotheekwerk gratis is (d.w.z. als een ‘merit good’ geheel wordt betaald uit belastinggelden).
De grote vraag waar deze handreiking aan voorbij gaat is natuurlijk of dat ‘huidige maatschappelijke en economische klimaat’ iets is wat ons allemaal zomaar overkomt, of dat we dat klimaat zelf gemaakt hebben (of laten maken) en het (op den duur) ook kunnen veranderen.
Maar klimaatsveranderingen zijn volgens mij veel eerder van schrijvers en dokters te verwachten dan van clubs als VNG en VOB of van provinciale serviceorganisaties en bibliotheekorganisaties die graag willen blijven voortbestaan en zich om die reden als kameleons aanpassen aan de tijdgeest.

Taai
Op pagina 65 staat: ‘Recent is onderzocht in welke mate de bibliotheken ondernemend zijn en wat daarin de bepalende factoren zijn. De onderzoekers verbinden ondernemerschap met innovatie (nieuwe producten en ideeën), pro-activiteit (eigen initiatief, zoeken naar kansen, anticiperen op toekomstige situaties) en risicobereidheid. Het onderzoek wijst uit dat het ondernemerschap van bibliotheken sterk samenhangt met de schaal van de organisatie - grotere bibliotheken zijn ondernemender - en de eerdere ervaring van de directie. Wanneer de directie ervaring heeft opgedaan in de commerciële sector of bij andere culturele organisaties, dan is het ondernemerschap vaak groter.’ En: ‘Een hindernis in het ondernemerschap is volgens de onderzoekers “de taaie organisatiecultuur” van de bibliotheken, die marktgericht werken in de weg staat.’ (pag. 65).

Taaie organisatiecultuur? Bibliotheken en hun brancheorganisatie zijn vol van ondernemerschap. Ik heb het sterke vermoeden dat het aantal marketingdeskundigen in bibliotheken het aantal bibliothecarissen al met grote veelvouden overtreft. En zijn er nog ergens managers met liefde voor boeken en literatuur? Waar de verpakking en de randverschijnselen plus de nadruk op geld verdienen in plaats komen van de inhoud is duidelijk waar het ondernemerschap zal eindigen: het middel wordt het doel. Laten we hopen dat er hier en daar nog een paar bibliotheken blijven die, naast wat ze verder allemaal voor hun gemeente(n) en ‘klanten’ willen betekenen, de kans krijgen en/of grijpen gewoon de ideële taken te blijven verrichten waar ze ooit primair voor opgericht waren: mensen blijer en wijzer maken met boeken. Mensen leren lezen. En maatschappelijke en klimatologische discussies over de inhoud van boeken stimuleren.

Wim Keizer


Print deze pagina

Reacties op dit artikel (0)

Er zijn nog geen reacties.

Schrijf een reactie

Naam
E-mailadres (?)
Reactie
 

Gerelateerde informatie