HomeRubriekenGastblogsBericht
voetnoot
Verlangen naar toekomstbestendigheid
Wim Keizer
14-12-2012
Een modewoord dat ik in 2012 vaak ben tegengekomen in stukken over het openbare bibliotheekwerk is ‘toekomstbestendig’. Volgens mij drukt dat woord een verlangen uit dat nooit vervuld zal worden, want niets is zo onbestendig als de toekomst. Het verleden is veel bestendiger, hoewel er ook over het verleden altijd wel interpretatieverschillen zullen zijn. Maar hoe zal de bibliotheektoekomst worden?  
Verlangen naar toekomstbestendigheid
Een paar jaar geleden werd nog veel gesproken over de noodzaak ‘een gezamenlijke stip op de horizon’ te hebben. Die stip werd in de in 2012 aangenomen strategienota van de VOB uitgesmeerd tot ‘een vlek’. Kan een vlek toekomstbestendig zijn? Als hij maar groot genoeg is misschien wel, want dan past alles er in. Belangrijke vraag hierbij is natuurlijk wat we zelf van de toekomst willen maken. Volgens Machiavelli wordt de helft van wat ons te wachten staat bepaald door het lot en kunnen we de andere helft zelf bepalen, zoals we dijken en terpen kunnen aanleggen om het gewelddadige lot van overstromingen te ontgaan of te verzachten.

Onafgemaakt
Het jaar 2012 kenmerkte zich door veel onafgemaakte plannen en discussies. Als ik de brief van staatssecretaris Zijlstra van 7 december 2011 aan de Tweede Kamer over de komst van bibliotheekwetgeving per 1 januari 2013 tot uitgangspunt neem, dan zie ik dat er nog weinig vorderingen zijn gemaakt. De hele eerste helft van het jaar door was er een schriftelijke gedachtewisseling tussen Kamercommissie OCW en de staatssecretaris.

OCW wil onmiskenbaar toe naar een veel meer centralistische aanpak van het openbare bibliotheekwerk, maar met slechts 4% van het totaal aan financiële middelen en een VNG en een IPO die niet happig zijn op verplichtingen, valt te begrijpen dat een wetgevingstekst nog op zich laat wachten. De VNG is alleen voor verplichtingen als ze bij OCW zelf liggen, zoals de bekostiging van alle ‘e-content’ die bibliotheken nodig zouden kunnen hebben. Kennelijk wordt er zelfs aan gedacht ook de vorming van fysieke collecties te centraliseren, maar de commissie Onderwijs, Cultuur en Sport van de VNG is daar tegen.

Eén ding is zeker: in een wet zal nooit komen te staan hoeveel geld openbare bibliotheken voor welke doelen nodig hebben. Ook ten tijde van de Wet op het Openbare Bibliotheekwerk, eind jaren zeventig, is het nooit gelukt harde normen af te spreken. Met het regeerakkoord in het achterhoofd komt er misschien hooguit in een wet te staan dat de minimumondergrens voor basisbibliotheken, net als voor gemeenten, 100.000 inwoners is en dat er per gewest een GSO is. Het regeerakkoord wil opschaling van provincies naar vijf landsdelen, of (mooiere naam) gewesten.

Politieke, gemeentelijke kwestie
Wat willen we als bibliotheekbranche met de helft van de ontwikkelingen die we kunnen beïnvloeden? Volgens mij is dat vooral een politieke kwestie en ligt die primair op gemeentelijk niveau: voor welke bibliotheektaken wil de gemeente overheidsgeld ingezet hebben? Zijn er ook taken die bibliotheken kostendekkend of winstgevend rechtstreeks aan klanten kunnen of willen aanbieden (inzake klantwaarde die niet leidt tot maatschappelijke waarde)?

In m'n gastblog van 31 augustus heb ik een poging gedaan het SIOB te contextualiseren. Het werd duidelijk dat deze ‘contextualisering’ van het SIOB, zeker in de hogere contextlagen, voor het hele openbare bibliotheekwerk geldt. Ik noemde de vierde contextlaag, de politiek, de belangrijkste. Want uiteindelijk gaat het daar om: waar zet de overheid haar geld op in, welke resultaten worden er verwacht en afgesproken? En: wat kan aan de markt worden overgelaten? Zijn er kansen voor vrijwilligersbibliotheekwerk, voor commercieel bibliotheekwerk of voor bibliotheekwerk door zzp’ers?
Voor bibliotheken is de gemeente verreweg de belangrijkste overheid, ondanks pogingen van OCW en zijn hulpinstituutjes SIOB en BNL tot veel meer centralisatie te komen (met als argument dat “versnippering” moet worden verkleind). Maar de bibliotheken willen geen centrale Landelijke Digitale Bibliotheek waar ze hooguit een kleine bijrol in zouden kunnen vervullen. Zij willen zelf, naast andere dienstverlening, ook digitale dienstverlening - die uit efficiencyoogpunt landelijk georganiseerd kan zijn - aanbieden aan hun eigen gebruikers. De op de VOB-ledenvergadering hierover aangenomen moties spreken duidelijke taal: geen afzonderlijke Landelijke Digitale Bibliotheek, al dan niet als onderdeel van een andere, bestaande landelijke bibliotheek, die als concurrent van de basisbibliotheken zou kunnen optreden. Theo Bijvoet, hoofd Letteren en Bibliotheken bij OCW, kon de bibliotheekdirecteuren 13 december gerust stellen. Maar wat een ‘geïntegreerde bibliotheek’ is zolang het rijk en de gemeenten niet geïntegreerd zijn, werd niet duidelijk.

Zeven thema’s
Aan het eind van het contextenverhaal benoemde ik zeven thema’s. Ik zal deze, nu het jaar ten einde loopt, nog eens doorlopen en becommentariëren.

Bestaansrecht
1. Waartoe is een openbare bibliotheek op aarde? Wat wil zij voor wie bereiken? Waarom wil zij dat? Hoe wil zij dat? Wat is het verdienmodel? Overheidssubsidie (publiek), betalingen door individuele consumenten (privaat), betalingen door groepen, instellingen, bedrijven (“de civil society”). Iets van alles wat (hybride)? Hoe communiceren we dat helder?

Een recente discussie naar aanleiding van een interview met Hanneke Kunst op Bibliotheekblad.nl laat zien dat een belangrijke scheidslijn nog steeds ligt tussen aanhangers van het ‘winkelmodel’ en het ‘verheffingsmodel’. Moeten de consumenten met zo veel mogelijk spullen in een gevulde tas het bibliotheekpand verlaten? Moeten de marketinginspanningen, inclusief het daarbij gebruikte jargon, vooral gericht worden op de groei die daarbij beoogd wordt? Ook als het om een symbolisch gevulde tas gaat (het ‘winkelmandje’ met e-content)?
Of heeft het bibliotheekwerk vooral ideële doelen rondom kennisvergroting en culturele ontwikkeling van burgers? Met de daarbij passende toon, taal en attitude? Zodat de burgers zich bewust, kritisch en actief kunnen bewegen in de maatschappij.

Van tijd tot tijd laait de discussie weer op, zoals nu  naar aanleiding van de uitspraken van Kunst.
In mei 2010 bracht ik een NNB-special over retaildenken, waaruit bleek dat de meningen sterk uiteenliepen. Het toenmalige Netwerk van Directeuren organiseerde vervolgens in november 2010 met inzet van de Argumentenfabriek een discussie over winkelmodel en verheffingsmodel. In de NNB van november 2010 verscheen het verslag. Ik heb de argumentenkaarten met alle voors en tegens die de deelnemers van beide modellen konden bedenken nog in de kast liggen. Conclusie was dat ze allebei, in zuivere vorm toegepast, tot de ondergang van de bibliotheek zullen leiden.
Mijn eigen conclusie: het is een politieke keus en de basis daarvan wordt, zoals al jarenlang het geval is, gemeentelijk gelegd in de driehoek bibliotheekdirecteur-ambtenaar-wethouder. Ik haal Thomas van Dalen nog maar eens aan die inzake landelijke ambities zei: ‘De directeur wikt, maar de wethouder beschikt. Zo is het nog steeds in dit land. Progressie maken in bibliotheekland in tijden van digitalisering vraagt dus een intensief strategisch en tactisch samenspel tussen lokale en landelijke spelers.’ Maar SIOB en BNL zijn vooral in gesprek met OCW, met elkaar en met de VOB (die meegezogen wordt in een centralistische agenda, waar ze dan wel zelf ‘de regie’ over wil hebben, naast het SIOB of liever nog in plaats van het SIOB). BNL heeft inmiddels ingezien dat het ook handig is te praten met de bibliotheken, per provincie verenigd in een PDO. In een op 27 november gehouden ‘PDO-meeting’ is gekeken hoe de banden aangehaald kunnen worden. Boer & Croon constateerde in een voor BNL gemaakte markt- en omgevingsanalyse dat de digitalisering het bibliotheekstelsel nog complexer maakt dan al het geval was. Domweg inzetten op een centralisatiekoers, zonder dat intensieve strategische en tactische samenspel van Van Dalen, zal niet gaan werken.

Resultaten meten
2. In welke mate maken openbare bibliotheken hun pretenties waar? Hoe meet je hun resultaten (betaald met publiek geld: de social return on investment, of betaald met particulier geld: de winst- en verliesrekening).

Ik heb vaak beweerd dat openbare bibliotheken naast de primaire informatieverstrekkers als onderwijs, omroepen, kranten-, tijdschrift- en boekenuitgevers een secundaire rol hebben. Ze doen dingen met andermans spullen. Naast uitlenen betreft dat o.a. adviseren, vragen beantwoorden en mensen enthousiasmeren voor literatuur en cultuur. De benodigde spullen moeten gekocht worden om ze te kunnen bezitten en er moet leenrecht voor betaald worden om ze te mogen uitlenen. Bij e-content ligt dit anders. Ook daar moet voor betaald worden, maar ‘bezit’ is hier vaker ‘een individuele gebruikslicentie’. En voor meer dan dat (uitlenen aan derden) zal opnieuw betaald moeten worden. Nog onduidelijk is hoeveel geld daarmee gepaard zal gaan en of de bedragen binnen redelijke proporties blijven. In dat laatste zou wetgeving kunnen voorzien. Ook de VNG wil modernisering van het auteursrecht.

Hoe dan ook, er is meer vraag gerezen naar de maatschappelijke waarde van bibliotheekwerk. Hoe toon je die aan, zonder mensen examens af te laten leggen in groepen die wel en groepen die geen gebruik hebben gemaakt van de bibliotheek? Dat blijft een belangwekkende vraag. VNG en Boekmanstichting wijden er 11 januari een discussiemiddag aan (gericht op resultaten en effecten van cultuurbeleid in het algemeen).

Net als bij de publieke omroepen, rijst ook bij de publieke bibliotheek de vraag of het aanbieden van amusement (‘voorzien in de behoeften van funshoppers’) niet beter alleen aan de markt kan worden overgelaten. Het is zeker dat bibliotheken naast serieuze informatie ook amusement bieden (en dat dus niet alle klantwaarde tot maatschappelijke waarde leidt), maar het is lastig om aan te geven in welke mate dat het geval is. Wethouders kunnen het echter omdraaien: ‘Ik ga er van uit dat 50% van wat u aanbiedt recreatief is en dus aan de markt kan worden overgelaten. Indien u het daar niet mee eens bent, toont u maar eens aan dat ik ongelijk heb.’

Prioriteiten kernfuncties
3. Voor publieke bibliotheken: welke prioriteit geven de overheden aan welke taken? Is de huidige verdeling van gelden over de bibliotheekfuncties, zoals o.a. geschat door de DSP-groep, de best mogelijke, of dienen er verschuivingen op te treden?

In het Bibliotheekcharter spraken de partijen af een onderzoek te doen naar de toekomstige financieringsbehoefte van het openbare bibliotheekwerk op de verschillende overheidsniveaus, in het licht van de effecten van het proces van bibliotheekinnovatie, zoals de verschuiving van fysieke naar digitale diensten. De DSP-groep deed een basismeting, waar ik in een gastblog in juni aandacht aan besteedde. Over het vervolg heb ik in 2012 niets meer vernomen. Inmiddels is het Charter bijna verlopen.
De vraag blijft natuurlijk of de huidige verdeling van de bibliotheekbudgetten over de vijf kernfuncties optimaal is of dat verschuivingen nodig zijn. Maar ook hier: het is een politieke vraag die met name gemeentelijk zal worden beantwoord.

Hoeveel lagen nodig?
4. Voor publieke bibliotheekwerk: hoeveel overheidslagen moeten zich met openbaar bibliotheekwerk bezig houden? En hoeveel en welke instellingen hebben we per laag nodig? Kan het vooral landelijk met die grote drukte niet een beetje minder?

Wat die laatste vraag betreft, maakt OCW goede vorderingen door SIOB, BNL, DBNL en KB bij elkaar te voegen. Met het 'Maria- Bas-consortium' liep ik er in oktober een beetje op vooruit. Josje Calff, van het gelijknamige rapport, pleitte er in 2008 al voor een centrale organisatie voor 'de digitale bibliotheek' eventueel onder te brengen bij de KB.

‘Het ministerie streeft er naar om het SIOB, DBNL en (onderdelen van) BNL bij de KB onder te brengen uiterlijk per 01-01-2015.’ Dit zinnetje stond wat verborgen, een beetje achteloos in een VOB-stuk voor de algemene ledenvergadering van 12 december ('Bibliotheekwet: actuele ontwikkelingen'). Inmiddels verscheen er een KB-bericht waarin dit streven voor de DBNL werd aangekondigd.

Of de openbare bibliotheekwereld er wat mee opschiet is de vraag, maar landelijk is er dan minder versnippering. Minister Plasterk houdt zich bezig met de lagen. Minder, maar grotere gemeenten en opgeschaalde provincies (die dan landsdelen of gewesten heten) betekent ook minder basisbibliotheken en PSO’s.

Digitale en fysieke bibliotheek
5. Voor publiek bibliotheekwerk: moeten de digitale bibliotheek en fysieke bibliotheken een echte twee-eenheid zijn of te onderscheiden eenheden, met eigen geldstromen? En hieraan gekoppeld: veel meer centralisatie of zo veel mogelijk decentraal houden?

Het wordt wat eentonig, maar ook het antwoord op deze vraag is een politieke kwestie. Als OCW een landelijke Digitale Bibliotheek (DB) wil creëren en de Kamer het goed vindt, dan komt zij er. Als die Digitale Bibliotheek zelfstandig diensten gaat aanbieden en leden gaat werven, dan kunnen openbare bibliotheken dat niet tegenhouden. Of openbare bibliotheken er vrijwillig wat mee te maken willen hebben, hangt af van wat die DB te bieden heeft tegen welke condities. En of het OCW lukt de VNG verder mee te krijgen in een centralistische beweging. En natuurlijk ook van de vraag wat gemeenten, daarin geadviseerd door hun VNG, in hun subsidievoorwaarden gaan opnemen.
Ik denk dat het verstandig is de geldstromen gescheiden te houden. Geen uitnames uit Gemeente- of Provinciefonds, maar elke laag haar eigen ding laten betalen. Centralisatie van gelden maakt de kans op bezuinigingen eerder groter dan kleiner. Wel is het gewenst gebruikersbijdragen voor de Digitale Bibliotheek af te romen ten gunste van de fysieke bibliotheken, want leesbevordering begint met veel aandacht en concentratie, die in een digitale omgeving vaak moeilijker op te brengen zijn dan in een stoffelijke omgeving.

Merkbeeld
6. Is voor alle openbare bibliotheken eenzelfde merkbeeld noodzakelijk of is dit uit het bedrijfsleven afkomstige marketing-flauwekul waar bijvoorbeeld musea niet aan meedoen?

Ik vind het nieuwe logo dat inmiddels door veel bibliotheken gebruikt wordt er mooi uitzien. Maar of het veel effect zal hebben op het gebruik betwijfel ik. Ik zou ook niet vaker met de trein gaan reizen als de NS een nieuw logo zouden maken, of met Arriva omdat haar nieuwe treinen en bussen er zo blits uitzien. Logo’s in de (semi-)publieke sector zijn vooral leuk voor logo-ontwikkelaars en -verkopers.

Focus op functies
7. Teruggrijpend op het WRR-rapport uit 2005 Focus op functies: moeten we de openbare bibliotheek niet in de hele context zien van alles wat er is op het gebied van informatievoorzieningen, dus de focus op functies leggen in plaats van instellingen? En dan in brede zin nagaan voor welke informatiefuncties overheidsgelden gerechtvaardigd zijn?

Eigenlijk vind ik dat het inderdaad zo zou moeten, maar ik besef ook dat het theorie blijft. Het is raar dat ‘publieke omroepen’ en bibliotheken wel subsidie krijgen en dagbladen niet, terwijl hun maatschappelijke waarde waarschijnlijk groter is dan van omroepen of bibliotheken. Maar historisch gegroeide verschillen poets je niet zo maar weg.

De overlevingsdrang, het streven naar continuïteit, is bij instellingen – waaronder bibliotheken, PSO’s, SIOB’en, BNL’en, VOB’en, NBD’en, beleidsafdelingen van ministeries en ga zo maar door – een dermate sterke kracht dat er erg veel voor nodig is om tot een meer integrale aanpak te komen.

Ik wens u, lezers, een heel leesbaar 2013, waar u uw toekomstbestendige teksten ook vandaan haalt en in welke vorm u ze ook leest!

Wim Keizer


Print deze pagina

Reacties op dit artikel (2)

agnes klitsie
27-12-2012 12:01
Ik hoop dat je in 2013 nog steeds je heldere stukken blijft schrijven Een gezond en gelukkig nieuwjaar. Agnes Klitsie
Wim Keizer
3-1-2013 19:47
Bedankt, Agnes, ik hoop nog heel lang helder te blijven ;-)

Schrijf een reactie

Naam
E-mailadres (?)
Reactie
 

Gerelateerde informatie