HomeRubriekenArtikel
voetnoot

Bibliotheekvernieuwing

Ad van der Waals
28-09-2017
Bibliotheekvernieuwing
‘Bibliotheekvernieuwing’ was rond de eeuwwisseling de ‘werktitel’ van een proces van veranderingen in het stelsel van openbare bibliotheken. Kort samengevat: gestart in 1995 met een nota van het NBLC (wie kent het nog?) Op weg naar 2005, in 2001 gevolgd door de instelling van een Stuurgroep en de vorming van een Procesbureau en in 2015 afgesloten met de totstandkoming van een wettelijke regeling van het bibliotheekwerk. Wim Keizer schreef begin dit jaar een boek met de titel Twintig jaar bibliotheekvernieuwing, met een ondertitel waaraan zijn scepsis over het verloop en de resultaten van het proces goed is af te lezen: ‘halfslachtige poging tot focus, tempo en regie’.  
Keizer heeft de ontwikkelingen nauwgezet in kaart gebracht, chronologisch, schematisch en thematisch. Er moest iets veranderd of vernieuwd worden en de bedoeling was dat de bibliotheeksector daar enthousiast aan zou meedoen. Keizer maakt duidelijk dat er echter nooit een orgaan is geweest dat succesvol de regie voerde en er in slaagde een gezamenlijke visie en gezamenlijk beleid te ontwikkelen waar alle partijen zich mee konden verenigen. Als een organisatie of een groep instellingen of personen opstond om eenheid te bereiken was het niet representatief, had het geen gezag of veroorzaakte het vooral ruis. Er werden bestaande instituties opgeheven of gesplitst, opgericht en weer opgeheven en uiteindelijk nieuwe (stelsel)taken ondergebracht bij de Koninklijke Bibliotheek (KB). Met steeds weer de beste bedoelingen maar vaak ook als stap naar… Ja, wat? Kortom, een onzekere sector die steeds onzekerder werd, vooral ook door – zoals diverse hoofdrolspelers in de interviews zeggen – idiote beslissingen van onder meer het ministerie van OCW. Een ministerie dat de traagheid en verdeeldheid van de sector zelf kennelijk zat was en dacht handelend te moeten optreden.

Verdeeld huis
In zijn introductie beschrijft Keizer het gecompliceerde speelveld. Met zoveel woorden zegt hij dat het proces van bibliotheekvernieuwing leidde tot ‘ontevredenheid’, omdat de politiek geen keus maakte tussen (re) centralisatie en verdere decentralisatie. Enerzijds was er ontevredenheid bij de zich autonoom wanende bibliotheekbedrijven die geen last wilden hebben van het ministerie en van landelijke instellingen. Anderzijds bij landelijke instituties die wezen op de versnippering en kortzichtigheid van de lokale bibliotheken die het belang van eenheid niet wilden inzien. Daar tussenin ziet Keizer een grote pragmatische middengroep die het beste uit de twee werelden wilde verenigen. Of bibliotheken die gewoon hun eigen gang bleven gaan, niet gehinderd door discussies die alleen maar afleidden van de doelstelling en de dagelijkse praktijk. Zij hadden het al druk genoeg met de eigen organisatie en met het overleg met de gemeente of combinaties van lokale overheden.

Bibliotheekvernieuwing ging vooral over de bestuurlijke verhoudingen tussen landelijke overheid, gemeenten, provincies en lokale bibliotheekorganisaties en eigenlijk ook over de ‘machtsverhoudingen’ binnen de sector zelf. De deelnemers aan de discussies waren in hoofdzaak bestuurders, directeuren en ambtenaren, vaak met grote afstand tot de praktijk van het bibliotheekwerk. Of met weinig kennis en begrip voor de historische context van het bibliotheekwerk. Met het ontbreken van een wettelijk kader en de middelen om eenheid af te dwingen of te stimuleren en de afhankelijkheid van het beleid van autonome gemeentebesturen, vertoonde de branche het karakter van een verdeeld huis. Belangen en dus ook opvattingen liepen ver uiteen, tot diep in de eigen brancheorganisatie. De landelijke overheid, die sinds de jaren tachtig deregulering en decentralisatie hoog in het vaandel had, probeerde - net zoals het geval was in andere sectoren van ‘welzijnsbeleid’- bij herhaling toch het heft in handen te nemen, het veld soms in verwarring, verdeeldheid en ontevredenheid het nakijken gevend. Decentralisatie, hoezo?

Andere ontwikkelingen
Keizer beschrijft helder hoe al het gezwoeg van twintig jaar ‘bibliotheekvernieuwing’ meer gedoe heeft veroorzaakt dan dat het heeft geleid tot versterking van de sector en kwaliteitsverbetering van het bibliotheekwerk. Terwijl lokaal bibliotheekwerk, zoals diverse betrokkenen zeggen, met name sinds de financiële crisis steeds meer gebukt ging onder bezuinigingen.
Het is nog te vroeg om de concrete resultaten van het proces van bibliotheekvernieuwing voor de gehele branche nu al te beoordelen. Heeft de KB de nieuwe status waargemaakt? Er spelen andere ontwikkelingen die ook invloed op de sector hebben (gehad), zoals de crisis, maar ook de veranderende opvattingen over de wenselijkheid voor bibliotheken om samen te werken of samen te gaan met andere maatschappelijke activiteiten. Deze ontwikkelingen hebben bijna overal in het land meer – en niet altijd positieve - sporen achtergelaten dan het proces van bibliotheekvernieuwing zelf: het verdwijnen van talloze bibliotheekvestigingen; de onderwaardering van het professionele karakter van het bibliotheekwerk; het wegvallen van talloze betaalde functies; de steeds grotere aanvechting om een beroep te doen op vrijwilligers, zelfs voor werk waar altijd een beroepsopleiding als vereiste gold; de zelfbediening en daarmee het sterk verminderde directe contact van lezers met bibliotheekmedewerkers; het opzetten van onbemensde steunpunten in scholen en andere voorzieningen, et cetera. Verder is er de tendens een bibliotheek meer te zien als onderdeel van een culturele onderneming dan als een bibliotheek met een eigen imago. Daar is niets mis mee maar als zelfs de naam bibliotheek (of de vreselijke naam ‘bieb’) vaak vervangen wordt door heel andere aanduidingen…? Alsof men zich ervoor schaamt dat er nog een eigen specifieke werksoort met de naam bibliotheek zou zijn.

Aan het eind van de slotbeschouwing in het boek, ‘Wat is er structureel en inhoudelijk bereikt?’, schrijft Keizer de indruk te hebben dat beleidsmakers en directeuren van bibliotheken weinig behoefte hebben om terug te blikken en liever alleen maar vooruitkijken. Niet meer terugkijken en er nu maar het beste van maken, lijkt het motto te zijn. De vraag is dan natuurlijk of het bibliotheekwerk als geheel nog wel een eigen en landelijk herkenbare doelstelling heeft en de middelen om die te realiseren. Wim Keizer laat die vraag onbeantwoord en gaat ook niet in op de hiervoor genoemde veranderingen. Hij beperkt zich tot het proces van bibliotheekvernieuwing. Hij wijst er wel op dat het belangrijkste thema zou moeten blijven wat de openbare bibliotheek wil bereiken en voor wie dan wel. Ik denk dat hij gelijk heeft als hij het vermoeden uitspreekt dat veel van wat wel goed is gegaan bij de afzonderlijke bibliotheken ook goed zou zijn gegaan zonder het proces van de officiële bibliotheekvernieuwing. Want het is in het bibliotheekwerk van nu natuurlijk niet alleen maar kommer en kwel.

Gewone bibliotheekmedewerkers en gewone leden
Keizer heeft het proces van bibliotheekvernieuwing nauwgezet gevolgd en op basis van de enorme vloed van door hem bewaarde documenten beschreven. Wellicht tekenend is echter dat de lezers en de ‘gewone’ bibliotheekmedewerkers nauwelijks in zijn boek worden genoemd, vooral denk ik omdat hun rol in de bibliotheekvernieuwing nihil of zeer beperkt was. Aan de discussies namen ze kennelijk niet deel. De meeste medewerkers die betere tijden hadden gekend zijn aan het werk gebleven en in veel gevallen inmiddels met pensioen. En de gewone leden van de bibliotheken komen hun boeken nog steeds lenen of hebben andere wegen ontdekt om aan lectuur te komen. De lezers werden en worden niet beschouwd als leden die invloed kunnen hebben op het beleid, alle goede bedoelingen van biebpanels ten spijt. Ze zijn nu gewoon de klanten van een onderneming die genoegen moeten nemen met het aangeboden product en daar – overigens zeker niet altijd ten onrechte! - tevreden over zijn.

De aangepaste lectuurvoorziening is – mede dankzij de inzet van de lezers – niet meegezogen in het proces van vergaande decentralisatie, zoals het ooit wel was gesuggereerd door het NBLC en het ministerie. Gelukkig maar! Binnen het openbaar bibliotheekwerk is jarenlang nogal smalend en meewarig gesproken over het gedoe tussen de blindenbibliotheken. Soms was dat terecht, maar het boek van Keizer maakt duidelijk dat het gezegde over de pot en de ketel zeker opgaat.

Soms wordt gezegd dat iemand die zo dicht op de gebeurtenissen heeft gezeten niet zelf de geschiedschrijving moet doen. Hoewel Wim Keizer ook uit eigen herinneringen put, zijn het geen memoires geworden. Het is een observerend verhaal van een betrokken, maar kritische en soms verbaasde toeschouwer. Zijn jarenlange betrokkenheid bij het bibliotheekwerk is eigenlijk een voorwaarde geweest om de ontwikkelingen goed te duiden en in een boek te beschrijven. Misschien is het nog niet de complete geschiedschrijving van het bibliotheekwerk sinds 1990, maar de bouwstenen liggen er wel voor een vervolg op de geschiedschrijving van het openbaar bibliotheekwerk die Paul Scheiders in 1990 schreef. Dan zou overigens wel een grotere plaats moeten worden gegeven aan de ontwikkelingen in het uitvoerende bibliotheekwerk. Want met Keizer vind ik dat bibliotheekvernieuwing toch wel meer dan een bestuurlijk proces had moeten zijn.  

Ad van der Waals publiceerde in 2015 Muziek lezen met de vingers. De geschiedenis van het muziekbibliotheekwerk voor mensen met een visuele beperking en in 2013 Gewoon anders lezen in de openbare bibliotheek. de geschiedenis van de openbare bibliotheekvoorziening voor mensen met een visuele of andere leesbeperking. Hij was onder andere werkzaam als coördinator van het Centraal Orgaan Lectuurvoorziening voor blinden en slechtzienden en daarna  in leidinggevende en beleidsmatige functies bij organisaties van en voor mensen met een visuele beperking.

Het boek Twintig jaar bibliotheekvernieuwing is te bestellen met een mailtje aan mevrouw N.E. Brand, nellybrand49@gmail.com.
De prijs van het boek is 14 euro plus verzendkosten (in Nederland 3,95 euro).



Reacties op dit artikel (0)

Er zijn nog geen reacties.

Schrijf een reactie

Naam
E-mailadres (?)
Reactie
 

Gerelateerde informatie

Gastblog

Wat deed jij tijdens de Week van de Mediawijsheid? Maaike van der Pal

Wat deed jij tijdens de Week van de Mediawijsheid? Voor mij geen rustig achter-het-bureau-weekje. Ik deed onderzoek naar media. Online en offline media, in de bibliotheek. Ik zocht bijvoorbeeld naar informatie over bijzondere sporten (‘Lacrosse? Dat is gewoon hockey met een netje, juf’). En... Lees verder