HomeNieuwsNieuws uitgelichtBericht
voetnoot
Uiteenlopende reacties op onderzoeksrapport afdracht leenrechtvergoedingen
Bart Janssen
04-07-2017
Het op 16 juni door minister Bussemaker van OCW naar de Kamer gestuurde onderzoeksrapport over de afdracht van leenrechtvergoedingen door bibliotheken heeft tot uiteenlopende reacties geleid van onder andere de Vereniging van Openbare Bibliotheken (VOB), Stichting Leenrecht en de Auteursbond. De laatste twee organisaties tonen zich kritisch over het door Ecorys uitgevoerde onderzoek dat niet voldoende duidelijkheid zou bieden en daarom 'niet leidend kan zijn voor vervolgstappen', terwijl de VOB het rapport een goede basis noemt om in gesprek te gaan, als er redenen zijn om het huidige leenrechtsysteem te herzien.
Het onderzoek naar de afdracht van leenrechtgelden werd medio 2016 geïnitieerd door het ministerie van OCW en werd uitgevoerd door Ecorys, in samenwerking met het Instituut voor Informatierecht (IViR). De aanleiding voor het op 16 juni gepubliceerde onderzoek wordt gevormd door zorgen van de Vereniging van Letterkundigen (VvL), inmiddels getransformeerd tot de Auteursbond, en de Stichting Leenrecht over de daling van de leenrechtopbrengsten. Deze zou niet alleen te verklaren zijn uit de officieel geregistreerde daling van het aantal uitleningen van openbare bibliotheken (waarbij gewezen werd op de mogelijke invloed van de Bibliotheek op school), maar ook spraken beide organisaties het vermoeden uit dat niet alle uitleningen van nieuwe typen bibliotheken geregistreerd worden. Voor Stichting Leenrecht was dit reden om in 2015 een ‘marktverkenning’ (pdf) uit te laten voeren, die in februari 2016 werd gepresenteerd. Het Ecorys-onderzoek kan gezien worden als een vervolg op deze marktverkenning.

Het nu door de minister naar de Kamer gestuurde rapport, getiteld Onderzoek naar de ontwikkeling van de afdracht van leenrechtvergoedingen (2006-2015) (pdf) beschrijft de ontwikkelingen in de uitleningen en de daarmee samenhangende afdracht van leenrechtvergoedingen over de periode 2005-2016 en geeft een analyse bij de vraag welk deel van de afname van uitleningen en leenrechtvergoedingen toegeschreven kan worden aan bepaalde ontwikkelingen in het bibliotheeklandschap, waaronder de groei van het aantal schoolbibliotheken.

De onderzoekers hebben in eerste instantie gekeken naar de daling van het aantal uitleningen en constateren voor de periode 2006-2015 een totale afname van 125 miljoen naar 80 miljoen (-36%), waarbij voor volwassenen sprake was van een teruggang van 61 miljoen naar 34 miljoen (-44 %) en voor jeugd een afname van 51 miljoen naar 35 miljoen uitleningen (-31%).
Over de daling in de afdracht van leengelden schrijven de onderzoekers: ‘Voor het totaal aan afdrachten is de reële daling in de periode 2006-2015 zo’n 34,5%; van € 15,3 miljoen naar € 10,6 miljoen (prijsniveau 2007). Nominaal is de daling 24,5%, naar € 11,6 miljoen in lopende euro’s. De belangrijkste daling is opnieuw zichtbaar bij de volwassenenboeken (€ -3,1 miljoen) en jeugdboeken (€ -1,8 miljoen).’ Gemiddeld gaat het om een daling van 6% van de inkomsten uit intellectuele eigendomsrechten, voor kinderboekenschrijvers ligt dat percentage gemiddeld op 8 à 9%.

Voor een verklaring voor de daling van leengeldafdrachten van circa 15 naar circa 11 miljoen euro hebben de onderzoekers met name gekeken naar de invloed van de Bibliotheek op school (dBos). Bibliotheken gaan, vooral in het kader van de Bibliotheek op school, in toenemende mate de samenwerking aan met scholen, waarbij collecties vaak in scholen ondergebracht worden. Boeken die door scholen uitgeleend worden vallen onder de zogeheten ‘onderwijsexceptie’, wat wil zeggen dat er geen leengeld over hoeft te worden afgedragen. De onderzoekers spreken in dit verband van het ‘dBos’-effect, dat zich met name voordoet sinds 2013-2014, de jaren dat bibliotheken in toenemende mate begonnen in te zetten op de Bibliotheek op school. Sinds 2013 is als gevolg van het ‘dBos’-effect sprake van een totale daling van 9,9 miljoen uitleningen van jeugdboeken. ‘Deze 9,9 miljoen jeugdboeken is de meest waarschijnlijke totale “schadepost” voor auteurs (en andere rechthebbenden zoals vertalers, illustratoren en uitgevers) van het “dBos”-programma over de periode 2008-2015. Door de uitrol van dit programma loopt de jaarlijkse schadepost geleidelijk op, van bijna niets in 2008 tot circa vier miljoen jeugdboeken in 2015,’ aldus de onderzoekers.
Het probleem is dat niet altijd duidelijk lijkt te zijn wanneer uitleningen onder de onderwijsexceptie vallen omdat de samenwerking met scholen, al dan niet in het kader van dBos, allerlei verschillende vormen heeft gekregen. Bovendien laat de registratie van de uitleningen in het kader van dBos vaak te wensen over. (Zie ook het gastblog 'Is de Stichting Leenrecht gek geworden?' van Wim Keizer dat 17 maart 2016 op bibliotheekblad.nl werd gepubliceerd, waarin ingegaan wordt op de onduidelijkheid omtrent de uitleencijfers in het kader van de Bibliotheek op school)

De onderzoekers gaan wat dieper in op de geconstateerde verschillen in de uitleendata van het CBS en het bij de Stichting Leenrecht (SL) opgegeven aantal uitleningen. De duidelijke verschillen tussen de door het CBS en de door SL gerapporteerde data ‘vallen beide kanten op’, zoals de onderzoekers zeggen. Zij voeren de verschillen terug op
  • verschillen in de ‘onderliggende opzet en systematiek’ van de dataverzamelingen van beide organisaties (zoals 1. verschillen in de definities van uitleencategorieën en de interpretatie ervan, 2. het onterecht rapporteren van (grote aantallen) verlengingen als zijnde primaire uitleningen, vooral aan het CBS, en 3. het opgeven van foutieve cijfers),
  • op de wijze waarop de uitleencijfers door bibliotheken opgegeven worden (veel handwerk waarbij ‘ruimte is voor het maken van (wisselende) keuzes en interpretaties’)
  • en op het feit dat de omgang van bibliotheken met de uitleningen op/via school wisselt. Hierover zegt het rapport: ‘Een deel van de bibliotheken geeft uitleningen in het geheel niet aan het CBS of SL op, terwijl een ander deel deze uitleningen wel opgeeft. Hierbij maken sommigen bewust de keuze om (een deel van) de uitleningen wel aan het CBS op te geven, maar niet aan SL. Uit de analyse van de brondata blijkt dat (voor deze groep respondenten) minimaal 0,6 miljoen uitleningen van jeugdboeken wel aan het CBS zijn opgegeven voor 2015, maar niet aan SL.’
Minister Bussemaker van OCW heeft op 16 juni in een brief aan de Kamer (pdf) gereageerd op het onderzoek. Ze stelt onder andere bij de midterm review van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen, dit najaar, terug te zullen komen op de ontwikkelingen in het bibliotheeklandschap en op de oorzaken van de afname van de leenrechtvergoedingen die in het rapport beschreven worden. De analyse over de verslechterde inkomenspositie van auteurs, illustratoren, uitgevers en vertalers wil de minister betrekken bij de brede ontwikkelingen in de arbeidsmarktpositie van personen werkzaam in de culturele en creatieve sector. Naar aanleiding van de geconstateerde verschillen in het aantal uitleningen in de cijfers die verzameld worden ten behoeve van de bibliotheekstatistieken en de uitleencijfers die door Stichting Leenrecht verzameld worden ten behoeve van de leenrechtvergoedingen vraagt de minister vooruitlopend op de midterm review, de Koninklijke Bibliotheek (KB), Stichting Leenrecht en de Vereniging Openbare Bibliotheken (VOB) om zo snel mogelijk praktische oplossingen voor de in het rapport genoemde tekortkomingen uit te werken. Ze denkt daarbij aan het standaardiseren van definities en aan het gebruik van het datawarehouse van de landelijke digitale bibliotheekinfrastructuur voor de opgaven van uitleningen aan Stichting Leenrecht.

De Vereniging van Openbare Bibliotheken (VOB) heeft op 22 juni op het onderzoeksrapport gereageerd in een brief (pdf) aan de Vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur & Wetenschap. De VOB wijst in deze brief op het belang van de Bibliotheek op school in het kader van de aanpak van laaggeletterdheid. De VOB onderkent de onduidelijkheid op het gebied van registratie van uitleningen. ‘In het rapport van Ecorys en IViR wordt becijferd hoeveel uitleningen via de Bibliotheek op school zijn verricht waar een leenvergoeding op van toepassing zou zijn. Per jaar gaat het om 1,125 miljoen uitleningen. Daarnaast laat het rapport ook zien dat er leenvergoeding wordt afgedragen als dat niet verschuldigd is. Uit het rapport van Ecorys en IViR komt tevens naar voren dat er in sommige gevallen onduidelijkheid bestaat over registratie en cijfers van uitleningen. De onderliggende systematiek laat ruimte voor interpretatieverschillenen (bijv. bij de Bibliotheek op school) en soms worden er simpelweg fouten gemaakt bij het opgeven van cijfers. Let wel, de analyse van de brondata van dit onderzoek toont slechts 1 foutieve opgave voor 2014, waarbij circa 2 miljoen uitleningen voor jeugd en volwassenboeken wel aan Stichting Leenrecht zijn doorgegeven, maar niet aan CBS. Uit de analyse van de brondata blijkt verder dat in 2015 0,6 miljoen uitleningen wel aan CBS zijn opgegeven, maar niet aan Stichting Leenrecht. Net als de minister is de VOB van mening dat een standaardisatie van registraties en uitleenmodellen op zijn plaats zou zijn. Het ministerie zou daarbij een helpende hand kunnen reiken door steun te geven voor dit standaardisatieproces,’ aldus de VOB.

De VOB stelt het rapport te zien als een goede basis om met alle betrokken partijen in gesprek te gaan.

De Stichting Leenrecht toont zich in een reactie op 22 juni zeer kritisch over het Ecorys-rapport. Ook na het verschijnen van het rapport is er onvoldoende inzicht in de precieze omvang en ontwikkeling van uitleningen, zo vindt Stichting Leenrecht. Het rapport geeft volgens de stichting geen betrouwbaar beeld van de stand van zaken op het gebied van uitlenen in Nederland. ‘Wij vragen u daarom de uitkomsten van dit rapport zeer genuanceerd in te zetten.’
Diederik van Leeuwen, voorzitter Stichting Leenrecht, schrijft in een brief (pdf) aan minister Bussemaker dat het onderzoek te beperkt van opzet was om een verklaring te kunnen geven voor de dalende leenrechtinkomsten van schrijvers en uitgevers, omdat het te zeer gebaseerd is op ‘bestaande indrukken en eerder gepubliceerde cijfers’ en te veel nieuwe factoren buiten beschouwing heeft gelaten die juist een verstorende impact hebben op het leenrechtstelsel.

Volgens Stichting Leenrecht is het huidige vergoedingenstelsel voor het uitlenen van boeken via de bibliotheek onhoudbaar geworden, aangezien er veel minder uitleningen worden geregistreerd, waardoor auteurs veel minder geld ontvangen en verder zijn de effecten van nieuwe ontwikkelingen, zoals het uitlenen van e-books en de sterke opkomst van de Bibliotheek op school, nog niet verwerkt in het leenrechtstelsel, zo meent Stichting Leenrecht. Van Leeuwen wijst in zijn brief aan de minister op het bij de start van de Stichting Leenrecht in 1995 overeengekomen uitgangspunt dat 5% van de exploitatiekosten van de openbare bibliotheken via de leenrechtvergoeding ten goede zou komen aan schrijvers en illustratoren. De leengelden zijn inmiddels gedaald van 23 miljoen euro in 1995 naar 9 miljoen euro nu, waarmee het percentage is gedaald naar 2,4%. ‘Voor de betrokken belanghebbenden die wij vertegenwoordigen is dit een onaanvaardbare situatie, waarin bovendien door diverse ontwikkelingen geen stabilisatie laat staan verbetering in het vooruitzicht ligt. De toekomst van het lezen en daarmee uitlenen van boeken tekent zich wel al duidelijk af; deze ligt op het gebied van de Bibliotheek op school en de digitale bibliotheek. Uit het rapport valt op te maken dat de stijging van het uitlenen via scholen een grote vlucht neemt, van 1,5 miljoen uitleningen in 2014 naar 4 miljoen in 2015. Wij pleiten er daarom voor deze nieuwe ontwikkelingen – die al een significante impact hebben op het leenrechtstelsel – mee te nemen in uw vervolgstappen. Daarnaast zijn wij met u van mening dat er sprake dient te zijn van een eenduidige registratie van de uitleningen via een centraal datawarehouse,’ aldus Van Leeuwen.

In een bijlage bij de brief (pdf) licht de Stichting Leenrecht haar belangrijkste kritiekpunten met betrekking tot het rapport toe. Het eerste punt van kritiek spitst zich toe op het feit dat in het rapport gesproken wordt van een ‘autonome daling van het aantal uitleningen’, terwijl verschillende rapporten van GfK Intomart, The Choice en SCP een genuanceerder beeld schetsen, ‘waaruit blijkt dat in ieder geval bij het lezen van boeken geen sprake is van een grote daling’, aldus Stichting Lezen, die ook vraagtekens zet bij de analyses in het rapport, gebaseerd op ‘verschillende data waarvan de geringe betrouwbaarheid vooraf al vaststond’ en op enquêtes met een geringe respons van bibliotheken, zo meent Stichting Lezen. Het mogelijk negatieve effect van samenwerkingsvormen tussen bibliotheken en andere instellingen dan scholen op het aantal uitleningen is nauwelijks onderzocht en de verschuiving in registratie van uitlening naar verlenging (‘een voor de hand liggende verklaring voor de daling van het aantal uitleningen,’ aldus Stichting Leenrecht) wordt wel genoemd, maar niet onderzocht. Stichting Leenrecht noemt verder nog drie andere kritiekpunten: 1. er is een betere registratie van uitleencijfers nodig; 2. de juridische analyse in het rapport is onevenwichtig en gaat voorbij aan het recht op billijke vergoeding; 3. het rapport leest als een handleiding om het uitlenen zo in te richten, dat er geen betalingsverplichting uit voortvloeit. Over punt 2 zegt Stichting Leenrecht dat de onderwijsexceptie ooit bedacht is in een tijd waarin schoolbibliotheken vooral vrijwilligersprojecten van ouders en leerkrachten waren en het aantal uitleningen landelijk naar toenmalige becijferingen rond de één miljoen bleef steken. ‘Inmiddels gaat het om professionele bibliotheekvestigingen, die worden ingericht en ondersteund door openbare bibliotheken, en zijn zij vaak van een zodanig hoog niveau van dienstverlening dat wijkvestigingen als overbodig bestempeld worden (ingegeven door bezuinigingsdrift van gemeenten),’ aldus Stichting Leenrecht. Het doel van de leenrechtregeling – het genereren van een billijke vergoeding voor rechthebbenden – is volgens Stichting Leenrecht uit beeld geraakt en zij stelt zich grote zorgen te maken over de onbedoelde bijeffecten die mogen worden verwacht door de openbaarmaking van het rapport, daarmee doelend op de volgens Stichting Lezen in het rapport door de onderzoekers geformuleerde 'handreikingen' waarmee een beroep kan worden gedaan op de onderwijsexceptie voor leenrecht.

Arjen Polman van Stichting Leenrecht stelt tegenover Boekblad (inlog) dat de onderzoekers de ‘verkeerde dingen’ hebben bestudeerd. Polman was bij het onderzoek betrokken, maar kritische opmerkingen werden niet of onvoldoende meegenomen, aldus Boekblad. Volgens Polman is de huidige, onbevredigende situatie ontstaan doordat het veld sinds 1995 in grote lijnen nog steeds opereert alsof er weinig tot niets is veranderd. De situatie was destijds overzichtelijk: boeken werden uitgeleend via bibliotheken, die daarvoor betaalden. Sindsdien zijn er zoveel nieuwe ontwikkelingen, dat louter focussen op de openbare bibliotheek niet meer voldoet. ‘We willen dat OCW de regie neemt. We zitten al twintig jaar met de bibliotheken om tafel, het is niet de bedoeling dat we met hen gaan zwartepieten of het wel of niet door de schoolbibliotheken komt, want dit overstijgt wat wij kunnen veranderen. OCW laat het teveel op zijn beloop. We doen een oproep aan de minister voor structurele aanpassingen in het leenrechtstelsel en misschien betekent dat wel dat het hele systeem opnieuw onder de loep moet worden genomen,’ aldus Polman in Boekblad.

De Auteursbond (voorheen de Vereniging van Letterkundigen) stelt in een reactie op haar website dat het onderzoek aantoont dat er sprake is van een stevige daling van het auteursinkomen door minder leenrecht. ‘Hoewel ook andere factoren bijdragen, is de invloed van De Bibliotheek op School (dBos) aangetoond en zal deze invloed de komende jaren toenemen. Dit is te verwachten omdat “dBos-bouwstenen” meer en meer worden toegepast door bibliotheken en scholen. Het inkomensverlies van schrijvers, dat nog altijd geen halt wordt toegeroepen, vindt plaats zonder dat auteurs daar iets tegen kunnen doen. Bij het landelijk uitrollen van het dBos-systeem heeft de impact op het auteursinkomen – en daarmee de totstandkoming van boeken - tot op heden geen aandacht en geen belang gekregen,’ aldus de Auteursbond. De bond wijst er op dat de leenrechtvergoedingen vooral voor jeugdboekenschrijvers een niet te onderschatten bron van inkomsten vormen en daarmee een belangrijke rol spelen met betrekking tot leesbevordering, het instandhouden van ‘een kwetsbaar deel van de bibliotheekcollecties’ en ‘behoud van de Nederlandse cultuur’. ‘Meer aandacht is nodig voor het behoud van de Nederlandstalige cultuur en voor de preventie van laaggeletterdheid bij de jeugd. Een breed en gevarieerd aanbod van boeken is daarbij van levensbelang. (...) Wie hardop roept om “meer connectie” ten koste van de collectie, en het leenrecht deels wegbezuinigt, vergeet dat er in Nederland heel veel grote en kleine mensen voor hun leesbehoeften nog steeds afhankelijk zijn van de bibliotheek. De collectie vormt het hart van de bibliotheek,’ aldus de Auteursbond, die er aan toevoegt dat er meer oog moet komen voor het belang van een goed verdienmodel voor schrijvers en stelt de komende tijd te zullen werken aan plannen om het leenrechtbeleid duurzaam te maken.

Ook kinderboekenschrijver Ted van Lieshout, die de discussie over de leengelden in 2013 aanzwengelde (zie ook het artikel ‘Raakt Bibliotheek op school schrijvers in de portemonnee?’ van Maarten Dessing), besteedt op zijn weblog aandacht aan het rapport.
Mark Deckers, strategisch adviseur Rijnbrink, gaat in een blog op 20 juni in op zes observaties bij het Ecorys-rapport.

Tekst: Bart Janssen


Print deze pagina

Reacties op dit artikel (0)

Er zijn nog geen reacties.

Schrijf een reactie

Naam
E-mailadres (?)
Reactie
 

Gerelateerde informatie

Peiling

Nederlandse bibliotheken gaan steeds meer lijken op IKEA-filialen
Eens
Oneens
In Bibliotheekblad nummer 3 2017 stelt bestsellerauteur Herman Koch liever boekhandels dan bibliotheken te bezoeken. 'Ik ben alleen in...
Lees meer en geef uw mening