HomeNieuwsNieuws uitgelichtBericht
voetnoot
Raad voor Cultuur: nieuwe bibliotheekwet biedt geen vernieuwend perspectief op functie lokale bibliotheek
Bart Janssen
06-06-2013
De Raad voor Cultuur beschouwt de in de nieuwe concept bibliotheekwet vastgelegde integratie van de functies van Bibliotheek.nl, SIOB en KB, de positionering van de KB als dé landelijke bibliotheekorganisatie, en de oprichting van een landelijke digitale bibliotheek als positief, maar vindt tevens dat de lokale bibliotheken in het wetsvoorstel nog te veel beschouwd worden als klassieke uitleencentra van boeken, zonder dat een vernieuwend perspectief wordt geboden op de functie en het bereik van de lokale bibliotheken.
Dit schrijft de Raad voor Cultuur in een vandaag uitgebracht advies over de nieuwe bibliotheekwet. Minister Bussemaker had de Raad op 19 april jl gevraagd advies uit te brengen over de conceptversie van de wet, die op 1 januari 2015 in werking moet treden. De minister had de Raad in haar adviesaanvraag (PDF) gevraagd met name in te gaan op vijf onderwerpen:
  1. De publieke waarden en de maatschappelijke functie van de openbare bibliotheek.
  2. Publieksbereik en maatschappelijke effecten.
  3. De samenhang in het bibliotheekstelsel.
  4. De structuur van de digitale bibliotheek.
  5. De nieuwe rol van de Koninklijke Bibliotheek
Publieke waarden en maatschappelijke functie
De Raad stelt dat het goed is dat de wet een basis legt voor een nieuwe digitale openbare bibliotheekvoorziening, maar dat de fysieke openbare bibliotheek niet uit het oog moet worden verloren. ‘Hoewel de wet aan gemeentelijke overheden het - niet te miskennen - signaal afgeeft dat een lokale openbare bibliotheekvoorziening in de ogen van de centrale overheid van groot maatschappelijk belang is, zou dit signaal krachtiger geweest zijn wanneer het wetsvoorstel ook een (nieuwe) visie op de toekomst van de fysieke openbare bibliotheekvoorziening beschreef,’ aldus de Raad.
De Raad vindt dat de ondersteuning van innovatie op het vlak van de fysieke dienstverlening een plaats in de wet verdient. In het wetsvoorstel wordt deze taak bij de PSO’s gelegd, ‘in overeenstemming met de Koninklijke Bibliotheek’. De Raad begrijpt hieruit dat de Koninklijke Bibliotheek (KB) de PSO’s niet formeel kan aansturen. De Raad vreest daarom dat fysieke en digitale innovatie zich langs gescheiden wegen ontwikkelen. De verwachting is dan, volgens de Raad, dat de nagestreefde integratie van digitaal en fysiek vernieuwingsbeleid onvoldoende uit de verf komt. De Raad stelt daarom voor dat de KB hier een aansturende rol krijgt.

Ook geeft de Raad aan dat het goed zou zijn om naast de in de wet genoemde functies ook de publieke waarden die aan deze functies worden gehecht te benoemen en uit te werken. Wat de Raad betreft gaat het daarbij om de waarden ‘evenwichtigheid’, ‘pluriformiteit’, ‘kwaliteit’, ‘onafhankelijkheid’ en ‘toegankelijkheid’. ‘Deze uitwerking is van belang omdat het de grenzen tussen publieke en commerciële aanbieders van content duidelijk maakt. Zeker wanneer in de nabije toekomst uitleen (door openbare bibliotheken) en verhuur (door private c.q. commerciële partijen) van e-boeken en andere digitale content naast elkaar zullen bestaan, is het noodzakelijk te onderbouwen waarom de openbare bibliotheeksector op dit vlak bepaalde voorzieningen moet blijven aanbieden en waarin zij zich moet onderscheiden van een commercieel aanbod,’ aldus de Raad.

Publieksbereik en maatschappelijke effecten
De Raad vindt het goed dat in de wet artikelen zijn opgenomen waarin de verbinding tussen de bibliotheek en het onderwijs nader wordt bepaald, maar adviseert deze artikelen ook van toepassing te laten zijn op andere publieke domeinen, zoals media (lokale omroepen), erfgoedinstellingen (archieven en regionale historische informatiecentra en musea) en instellingen voor cultuureducatie en/of volwasseneneducatie.
Daarnaast noemt de Raad een vergelijkbare samenwerking gewenst tussen de openbare bibliotheeksector en de universiteitsbibliotheken.

Samenhang in het bibliotheekstelsel
De Raad vindt het een goede gedachte om het bibliotheekstelsel te ordenen als één netwerk van samenwerkende organisaties, maar stelt tevens vast dat een gemeentelijke verplichting tot de instelling en instandhouding van een openbare bibliotheekvoorziening in de wet niet voorkomt. De Raad stelt zich te realiseren dat op dit terrein aan de gemeenten geen (dwingende) verantwoordelijkheden of taken kunnen worden opgelegd, zonder dat de rijksoverheid hiervoor financiële middelen ter beschikking stelt. Maar, zo stelt de Raad: ‘Of daardoor de ambitie van de nieuwe wet - het bibliotheekstelsel als één netwerk van samenwerkende organisaties - ook daadwerkelijk kan worden waargemaakt, is de vraag.’

Volgens de Raad bestaat de mogelijkheid, gegeven de gemeentelijke bezuinigingen op de bibliotheekvoorziening, dat het wetsvoorstel op lokaal niveau een negatieve uitwerking heeft. ‘Enerzijds worden wettelijke eisen gesteld, bijvoorbeeld aan het interbibliothecair leenverkeer, terwijl anderzijds gemeenten de vrijheid hebben om zelf te beslissen of zij bibliotheekvoorzieningen in stand willen houden. Het is niet ondenkbaar dat gemeenten hun openbare bibliotheekvoorzieningen verder zullen afbouwen, met het argument dat de landelijke digitale bibliotheekvoorziening de burger reeds afdoende bedient. Wanneer dat het geval is, leidt de wet tot een ongewenste verschraling van het lokale aanbod,’ aldus de Raad. De Raad adviseert daarom in de wet aan te geven welk belang een openbare bibliotheekvoorziening voor (de inwoners) van een gemeente heeft. Het uitwerken van de publieke waarden en de verbinding met andere maatschappelijke domeinen, zoals hierboven genoemd, zou daarvan onderdeel moeten zijn.

De Raad wijst er op nog steeds geen voorstander te zijn van verantwoordelijkheid van drie bestuurslagen ten aanzien van het bibliotheekstelsel (zoals ook al in eerdere adviezen aangegeven) en adviseert daarom opnieuw de verantwoordelijkheden van de PSO’s over te dragen aan gemeenten en het Rijk.

Digitale bibliotheek
De Raad toont zich positief over het feit dat het Rijk de verantwoordelijkheid op zich neemt voor de inrichting van een landelijke digitale bibliotheek en dat deze bij de KB wordt ondergebracht, maar noemt de auteursrechten daarbij een belangrijk punt van zorg. Het Europese auteursrechtelijke kader laat immers geen ruimte voor de invoering op nationaal niveau van een wettelijke uitzondering die e-lending door openbare bibliotheken toestaat.
‘Wanneer de toegang tot auteursrechtelijk beschermde werken in de digitale bibliotheek alleen is voorbehouden aan bibliotheekleden, betekent dit (...) een onwenselijke restrictie op de toegankelijkheid van informatie. In de fysieke bibliotheek zijn dergelijke werken immers wel te raadplegen door niet-leden,’ aldus de Raad. De Raad wijst er daarbij op dat contributievrijstelling voor de jeugd bij het lidmaatschap voor de fysieke bibliotheek wel wordt geregeld (in artikel 11) en vindt dat een dergelijke vrijstelling eigenlijk ook zou moeten gelden voor de digitale bibliotheek.

Rol Koninklijke Bibliotheek
De Raad is positief over de nieuwe rol van de KB als centrale partij in het beoogde bibliotheeknetwerk. Naar de mening van de raad zijn zowel de digitale bibliotheek als de stelseltaken bij deze ‘moederbibliotheek’ in goede handen.

Aanbevelingen
Concluderend stelt de Raad positief te zijn over de oprichting en versterking van de digitale bibliotheek, maar het wetsvoorstel biedt in de huidige vorm geen vernieuwend perspectief op de functie en het bereik van de lokale bibliotheken. De wet positioneert de lokale bibliotheken voornamelijk als (klassieke) uitleencentra van fysieke boeken, terwijl in het veld al tal van initiatieven voor innovatie zijn genomen, onder meer in samenwerking met het onderwijs. De Raad adviseert daarom binnen het huidige wetsvoorstel een toekomstbestendige positie van de lokale bibliotheken helderder te omschrijven. De oprichting en versterking van de digitale bibliotheek kan de wetgever aangrijpen voor een gelijktijdige ambitieuze herpositionering van de functies van lokale openbare bibliotheken, aldus de Raad.

Daarbij zijn drie overwegingen van belang:
  • Niet alleen functies van de bibliotheek benoemen, maar ook de publieke waarden die aan deze functies worden gehecht uit te werken: evenwichtigheid, pluriformiteit, kwaliteit, onafhankelijkheid en toegankelijkheid.
  • Verbinding leggen tussen openbare bibliotheken en andere maatschappelijke domeinen (cultuureducatie, erfgoed, media, onderwijs of volwasseneneducatie). Daarbij kan zowel worden ingezet op een bundeling van functies als op een herverkaveling ervan.
  • Voor een duurzame uitvoering van de bibliotheekfuncties op lokaal niveau zal ruimte moeten worden geboden voor innovatie en minder het accent moeten worden gelegd op de - afnemende - uitleen van fysieke boeken. De invulling daarvan vraagt om maatwerk, passend bij de lokale situatie.
Voor de volledige tekst van het Advies Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen, zie hier (PDF).
Voor de adviesaanvraag van minister Bussemaker, zie hier (PDF).


Print deze pagina

Reacties op dit artikel (0)

Er zijn nog geen reacties.

Schrijf een reactie

Naam
E-mailadres (?)
Reactie
 

Gerelateerde informatie

Peiling

Een discussie over inzet van vrijwilligers wordt niet gevoerd, maar is wel nodig
Eens
Oneens
Jouke Bethlehem (Bibliotheken Noord Fryslân) merkt op dat er nauwelijks enige discussie gevoerd wordt over de inzet van...
Lees meer en geef uw mening