HomeNieuwsNieuwsoverzichtBericht
voetnoot
Leenrecht of geen recht?
Frank Huysmans
02-07-2012
Is een e-book een boek? De een zegt ‘ja’, want de creatieve uiting is hetzelfde. Of die nu op papier of digitaal verschijnt, de lezer leest hetzelfde verhaal. De ander zegt ‘nee’, want het uitgeef-, verkoop- en uitleenmodel is fundamenteel anders voor een fysiek product dan voor een digitaal product. Fysieke boeken moet je bijdrukken als ze op zijn, digitale boeken niet.
Leenrecht of geen recht?
Beide antwoorden zijn waar, want beide argumenten snijden hout. Het hangt er maar vanaf hoe je ernaar kijkt. Dat is precies de zin die je juristen vaak hoort bezigen. Toch lijkt in de juridische praktijk de meerderheid te tenderen naar het ‘nee’. Bibliotheken die een e-book willen uitlenen, lopen althans tegen juridische barrières aan. In Nederland, Europa en de Verenigde Staten geldt voor fysieke boeken een ander wettelijk regime dan voor digitale boeken. Om te snappen hoe een en ander in elkaar steekt, volgt hier een beknopte (en vereenvoudigde) uitleg van auteursrecht en leenrecht.

Bescherming
Het auteursrecht is met onder meer het naburige recht, het merken- en het patentrecht onderdeel van het intellectuele eigendomsrecht. (In de grotendeels Engelstalige internationale discussie kortweg IP rights, naar intellectual property.) De idee achter het intellectuele eigendomsrecht is dat het de economie ten goede komt als iemand iets nieuws maakt of ontwikkelt. Om innovatie te stimuleren, moeten vernieuwers investeringen doen, die ze vervolgens moeten kunnen terugverdienen. Schrijvers investeren doorgaans meer dan een jaar werktijd in een nieuwe roman. Farmaceutische bedrijven steken naast personeelsuren ook machines, materialen en ontwikkelkosten in hun nieuwe medicijnen. Voedselfabrikanten bouwen met marketingacties over meerdere jaren zorgvuldig een A-merk op. In al deze gevallen is de gedachte dat het oneerlijk is als anderen op die ontwikkelkosten gaan meeliften. Om dit te voorkomen, krijgen producten van die noeste ontwikkelarbeid een beschermde status. Het exploiteren van een pennenvrucht, een merknaam en -logo of een technische innovatie wordt met de wettelijke bescherming voorbehouden aan de bedenker. Anderen mogen het niet zomaar gaan namaken, tenzij zij daartoe een deal sluiten met de maker. Dat is wat uitgevers doen: de exclusieve exploitatierechten verwerven tegen betaling van een overeengekomen vergoeding, of (tegen een doorgaans lagere vergoeding) een niet-exclusieve licentie op een of meer openbaarmakingen van het werk.
De beschermde status is er echter niet voor de eeuwigheid. Na een wettelijk vastgelegde termijn vervalt deze en wordt het voor anderen van de ene op de andere dag wel mogelijk om het product te gaan maken (het heet dan op slag niet meer ‘namaken’). De innovator heeft commercieel voldoende van zijn vinding kunnen profiteren. Dan krijgt de vrije markt het voor het zeggen en kan de prijs per eenheid gaan dalen. Dit geldt vooral voor medicijnen, die voor de minder bemiddelden in met name de zich ontwikkelende landen ineens toegankelijk worden - denk aan de bestrijding van het hiv-virus in veel Afrikaanse landen. Het intellectuele eigendomsrecht streeft naar een optimale balans tussen twee onverenigbare economische belangen: het belang van innovatie en het belang van vrije concurrentie. Het eerste is gebaat bij bescherming van intellectueel eigendom, het tweede juist bij het afbreken daarvan. Vandaar de eindigende beschermingstermijn.

Balans
In het auteursrecht, een van de loten aan de intellectuele eigendomsstam, is dit ook zo, al spreekt men hier van het ‘culturele belang’ in plaats van dat van de vrije concurrentie. Het economische belang is dat van de auteur (of: componist, cineast) en de uitgever (platenmaatschappij, filmdistributeur) die hij in de arm neemt om zijn werk van een fysieke gedaante te voorzien (boek, cd, filmkopie/dvd) en op de markt te brengen. Het culturele belang is dat een zo groot mogelijk aantal mensen in staat is om het werk tot zich te nemen, zonder belemmeringen van vooral financiële aard. Doordat het recht een monopoliepositie toekent aan de maker, kan er niet op prijs worden geconcurreerd en zal de prijs dus hoger zijn dan anders het geval was. Het economische belang van de auteur tast het culturele belang dus aan.
Om de zaak weer in balans te brengen, is een aantal beperkingen en uitzonderingen geformuleerd. Een ervan is het leenrecht. In artikel 12 van de Auteurswet staat dat een uitlening van een ‘werk van letterkunde, wetenschap of kunst’ een vorm van openbaarmaking is. Onder uitlening wordt verstaan ‘het voor een beperkte tijd en zonder direct of indirect economisch of commercieel voordeel voor gebruik ter beschikking stellen door voor het publiek toegankelijke instellingen’. Artikel 15c bepaalt vervolgens dat deze vorm van openbaarmaking niet als inbreuk op het auteursrecht wordt beschouwd, ‘mits degene die de uitlening verricht of doet verrichten een billijke vergoeding betaalt’. Wat billijk is, wordt in onderhandeling tussen vertegenwoordigende organisaties van rechthebbenden en bibliotheken bepaald. Instellingen voor onderwijs en onderzoek, de aan hen verbonden bibliotheken en ook de Koninklijke Bibliotheek en het bibliotheekwerk voor blinden en slechtzienden, zijn van het betalen van zo’n vergoeding vrijgesteld.

Fair use
De hamvraag is nu: waarom geldt het leenrecht niet voor digitale boeken zoals het geldt voor de papieren versies? Sommige juristen vinden dat het leenrecht ook op digitale boeken van toepassing moet worden verklaard. Zij zijn echter in de minderheid. Anderen benadrukken het kenmerkende verschil: fysieke boeken zijn een product, terwijl digitale boeken een dienst zijn. Zo formuleert de Europese bibliotheekbelangenorganisatie EBLIDA het in haar nieuwsbrief van juni 2012 (zie www.eblida.org). Bibliotheken kunnen een digitaal exemplaar niet kopen en vervolgens uitlenen aan hun gebruikers. Zij kunnen alleen een licentie afsluiten op het doorleveren van de digitale inhoud aan een aantal gebruikers. Als een uitgever, of een zelfstandige auteur, geen zaken met de bibliotheek wil doen, vervalt de uitleenmogelijkheid. Zoals EBLIDA het formuleert: de beslissing over wat kan worden gecollectioneerd en uitgeleend, ligt niet langer bij de bibliotheken zelf maar bij de uitgevers en/of auteurs. Om deze ‘onacceptabele verandering’ tegen te gaan, pleit EBLIDA voor twee zaken. Ten eerste moet er met de Europese federatie van uitgevers een memorandum worden overeengekomen over wat fair licensing models zijn. Het woord fair verwijst daarbij naar de Amerikaanse wetgeving, waarin fair use (redelijke gebruiksvoorwaarden) een belangrijke rol speelt in de beperkingen van het auteursrecht. Ten tweede pleit EBLIDA voor een aanpassing van het auteursrecht aan de nieuwe realiteit van digitale distributie, zodat het uitlenen ook in de toekomst mogelijk blijft.

Tekst: Frank Huysmans

Frank Huysmans is bijzonder hoogleraar bibliotheekwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam, vanwege het Sectorinstituut Openbare Bibliotheken, en onderzoeker/adviseur bij WareKennis in Den Haag (warekennis.nl).
Voor dit artikel is gebruik gemaakt van Drucker Bodenhausen Wichers Hoeth, Kort begrip van het intellectuele eigendomsrecht, onder redactie van Ch. Gielen (2011, 10de druk). Deventer: Kluwer.
Dit artikel verscheen ook in nummer 7, 2012 van Bibliotheekblad en is het eerste in een reeks die Bibliotheekblad gaat publiceren over de positie van het auteursrecht in het digitale tijdperk.

Voor dit artikel geldt een Creative Commons-BY-SA-licentie.



Print deze pagina

Reacties op dit artikel (4)

Marcel van Driel
1-7-2012 23:10
Als schrijver die graag gelezen wil worden, moet ik er niet aan denken dat mijn digitale boeken voortaan alleen nog maar geleend worden in plaats van gekocht.

Auteurs krijgen ongeveer 10% royalties per verkocht boek. Per bibliotheekuitlening krijgen we veel minder. Dat is niet erg zolang er evenwicht is tussen het aantal verkochte en het aantal uitgeleende boeken. Maar dat zou wel eens kunnen gaan veranderen met de e-bieb.

Er zijn volgens mij vijf belangrijke redenen waarom iemand een boek koopt:

Men wil het boek meerdere keren lezen.
Men wil pronken met het boek (kijk eens wat ik lees)
Men koopt het boek nu alvast, om het later te lezen.
Men wil het boek cadeau doen.
Het boek is niet te leen.

En de twee redenen om boeken te lenen:

Men wil het boek slechts één keer lezen.
Het is veel goedkoper.

Er vanuitgaande dat het e-book de komende jaren door gaat breken (en ik heb na het succes van digitale muziek en films geen enkele reden om daar aan te twijfelen) dan vervallen de eerste drie redenen om een boek aan te schaffen. Sterker nog, als een e-book op je e-reader of tablet leest, dan merk je niet eens meer een verschil tussen de leenversie en de koopversie. Die is namelijk identiek.

Maar de leenversie is wel vreselijk veel goedkoper!

Waarom zou je een boek dan nog aanschaffen? Je zet het achteraf niet in de kast. Je laat het aan niemand zien. Je brengt het gelezen boek digitaal ‘terug’ naar de e-bieb, of je archiveert je gekochte boek in je iCloud, wat is het verschil?

Voor ons schrijvers is het verschil echter enorm. Hoewel (kinder-)boekenschrijvers op veel meer manieren hun geld verdienen dan met royalties, hebben we de royalties wel hard nodig. Zonder deze verdiensten gaan veel schrijvers het heel erg moeilijk krijgen. Ik vermoed dat veel schrijvers er zelfs de brui aan gaan geven, of zelf gaan e-publiceren.

JoGnet
2-7-2012 15:31
"... of zelf gaan e-publiceren." Dat vind ik een mooie ontwikkeling ! Wat bijvoorbeeld leidt / kan leiden tot een directer contact tussen schrijver(s) en lezer(s). En andere uitgeefmodellen zoals bijvoorbeeld per hoofdstuk. Of... meelezen tijdens het tot stand komen... En wat meer is al niet mogelijk. Digitaal uitgeven biedt veel meer mogelijkheden / flexibiliteit dan op papier.

Veranderingsprocessen zijn moeilijk voor de meeste mensen.

In algemene zin zou ik het toejuichen als niet vanuit de bedreiging / voor behoud maar vanuit de kansen en mogelijkheden naar deze ontwikkelingen wordt gekeken. En volgens mij gunnen lezers schrijvers best 'wat' ;-)
Pierre Spaninks
2-7-2012 15:50
Ondertussen werken de Stichting Leenrecht en de Vereniging van Openbare Bibliotheken natuurlijk ook nog aan een vergoedingsregeling voor de uitleen van e-boeken, vergelijkbaar met die voor de uitleen van fysieke boeken. Zie voor de stand van zaken http://www.leenrecht.nl/nl/E-books-en-e-readers
Marcel van Driel
2-7-2012 17:07
 Als de leenvergoeding van e-books gelijk wordt aan die van fysieke boeken, dan kunnen de meeste schrijvers (en boekhandels, on- en offline) wel inpakken. Leengeld staat niet in verhouding tot royalties, maar tussen het kopen van een e-book en het lenen van een e-book zit nauwelijks verschil. Als ik voortaan mijn e-books kan lenen, koop ik nooit meer een boek.

Schrijf een reactie

Naam
E-mailadres (?)
Reactie
 

Gerelateerde informatie